Reisreportage: Noord-Ierland

Befuddled, dazzled, baffled, astounded. Een minieme selectie van het gigantische aantal synoniemen dat onze Angelsaksische vrienden hebben voor het compleet overdonderde gevoel dat ik mocht ervaren toen ik onlangs op de motor door Noord-Ierland – excuseer, Ulster – bolde. Ronduit overweldigend mooie vergezichten, onwaarschijnlijk cultureel erfgoed en broeierig zomerweer waren mijn deel, met een heerlijk krullende streep asfalt er omheen gewonden als strik om een onverwacht cadeau. Noord-Ierland, I’ll be back!

 

Tekst en foto’s: Jelle Verstaen

 

Mijn bezoek aan de North West 200 is het ideale moment om wat extra tijd in Noord-Ierland door te brengen, kwestie van genoeg stof te verzamelen om er nog een reisverhaal mee te boetseren ook.

Na een korte vlucht vanuit Brussel laat ik mij door een taxi afzetten in Lisburne, een industriestadje op een halfuurtje van Belfast. Daar heeft ene Phillip McCallen zijn motorzaak. Die naam doet mogelijks een belletje rinkelen want McCallen staat met elf overwinningen nog steeds vijfde op de ranglijst van Isle of Man TT-winnaars. Daarenboven ging hij ook ettelijke malen met de bloemen naar huis na de North West 200 en de Ulster GP. Op zijn aanraden kies ik de Coastal Causeway Road om naar Portrush te rijden, mijn slaapplaats voor vanavond. Al zal dat wel op de goede oude manier gebeuren: McCallen heeft geen gps-toestel meer op stock, dus somt de TT-legende nog even alle dorpjes op die ik moet passeren, waarna ik ze op een stukje karton neerpen en dat op mijn tank kleef. Old, but gold! De weg tussen Lisburne en de kust is niet meteen het soort dat voor kriebels in de buik zorgt, dus bespaar ik u de details. Onthou gewoon dat je vlotter via Glenavy, Templepatrick en Ballyclare richting de oostkust geraakt dan via Belfast, al is het maar om verkeersdrukte te vermijden.

Blackface

Als officieus beginpunt voor mijn route heb ik Larne uitgekozen, een pittoresk havenstadje vlak boven de landtong van Islandmaghee. Van daaruit kan je namelijk eenvoudig de Coastal Causeway Road oprijden, een schitterende reep asfalt die zich net geen honderd kilometer door weiland en gebergte ploegt en ternauwernood buiten het bereik van de getijen van de Ierse Zee weet te blijven. Op die manier krijg je het beste van Noord-Ierland gecombineerd in één route: aan de linkerkant eindeloze graaszones die door de typerende haagjes van elkaar gescheiden worden en een thuis bieden aan de Ierse Blackface-schapen, terwijl de rechterzijde je netvlies verwent met inbeukende golven en uit basalt gehouwen kliffen. Die combinatie maakt tijdens de eerste kilometers van mijn trip zo’n indruk, dat ik mijn Kawa een keer of vier in de berm stuur om foto’s te nemen – weet ik veel dat het noordelijker nog een pak mooier zal worden.

Net voor je Cushendall uitrijdt, buigt de A2 – de minder welluidende naam van de Causeway Coastal Road – af richting het binnenland. Maar net daar kan je het best zo dicht mogelijk tegen de kust aan blijven rijden om te kunnen blijven genieten van de prachtige omgeving. Kies daarom aan het Celtic Crafts-winkeltje rechts voor Layde Road in plaats van de links wegdraaiende A2 en volg die tot in Knocknacarry. Daar sla je rechtsaf richting Cushendun, waar je de Torr Road kan volgen tot Ballyvoy. Als je van deze kronkelende, op en neer dansende omweg van achttien kilometer geen klamme handjes en verhoogde hartslag krijgt, dan kan je in het eerstvolgende dorp maar beter op zoek gaan naar een dokter die je kan vertellen of je nog leeft. In Ballycastle bijvoorbeeld, één van de grotere havendorpjes op de route. De liefhebbers van door acné geteisterde balletjes kunnen hier in een fantastische setting golfen, met de zee op de achtergrond en met de prachtige ruïnes van de Bonamargy Friary – een in 1485 gesticht klooster – op de green.

                 

Rust

Wil je een rustpauze inlassen, dan is het minder bekende Kinbane Headland een aanrader. De restanten van Kinbane Castle moeten één van de best bewaarde geheimen van Noord-Ierland zijn. Onderweg van Ballycastle naar Ballintoy kom je welgeteld één klein bruin bordje tegen aan de linkerkant van de weg dat verwijst naar Kinbane Head, waarna je de Causeway Coastal Road even laat voor wat hij is en rechts Whitepark Road induikt. De op zich al smalle tweevaksbaan verandert al snel in een eenvaksweg met aan weerszijden de kenmerkende haagpartijen en lijkt steeds nauwer te worden, tot je op een geïmproviseerde parkeerplaats met zicht op de zee uitkomt. Als je de motor geparkeerd hebt, kan je aan de linkerkant een wandelpad vinden, dat behoorlijk steil in de dieperik duikt langs de kliffen richting een goed verscholen lagune. Van het kasteel zelf blijft nauwelijks iets over, meer dan een half afgebroken toren op een stuk rots dat uit de Ierse Zee priemt, rest er niet van het in 1547 gebouwde kleine fort. Maar door de afbrokkelende ruitopeningen, die gepijnigd werden door de tijd, het weer en Engels kanongebulder, krijg je wel een verbluffend uitzicht voorgeschoteld. Aan de ene kant op de zee en de witte kliffen van Rathlin Island, iets verder oostwaarts op een heuse waterval die het water vanop de kliffen in de golven stort. En het beste van al: absolute rust want tijdens mijn pauze komt er geen enkele andere toerist langs. Een ideaal moment dus om te genieten van het geluid van de gierende wind en het klotsen van de plas terwijl je vanop het mini-eiland mijmerend richting einder staart.

Meer inzicht, meer zalm

Wie het niet zo voor zen-momentjes heeft, maar eerder snakt naar een uitdagende manier om de Noord-Ierse kust te verkennen, zal zijn hartje kunnen ophalen op de Carrick-a-Rede Rope Bridge. De naam zegt het eigenlijk zelf – het betreft een touwbrug die de twintig meter tussen het vasteland en Carrick Island overbrugt en één van de mooiste zichten biedt op het Carrick-a-Rede natuurreservaat. Oorspronkelijk waren het zalmvissers die hier de overbrugging maakten om dieper in de zee te kunnen vissen, maar daar is intussen geen spoor meer van. Hoogstwaarschijnlijk omdat je tegenwoordig 5,9 pond (zo’n 7,5 euro) uit je zakken mag vissen alvorens je de toestemming krijgt om een voet op de brug te zetten. Als je die centen liever spaart voor een deugddoende Guinness na de rit, dan is de wandeling naar de brug op zich ook al de moeite en krijg je vanop de volledig betrapte kliffen een prachtig zicht op het bouwwerk.

Daarna kan je je weg vervolgen via Ballintoy, waar Game of Thrones-adepten de haven waarschijnlijk zullen herkennen als die van Pyke, het dorp waarin Theon Greyjoy opgegroeid is. Eén van de vele plaatsen in Noord-Ierland die dienst heeft gedaan als filmdecor overigens. Want hoe mooi Ballintoy ook is, het kan niet tippen aan het mysterie dat rond Giant’s Causeway sluimert. Dat nogal aparte strand bestaat uit duizenden zes- en achthoekige basaltzuilen van ongeveer een motorhelm in omtrek, waarvan je zou kunnen denken dat mensen ze daar bewust geplaatst hebben. Of reuzen, misschien. Want volgens de legende zou de Noord-Ierse reus Finn MacCool een gevecht uitgelokt hebben met de schotse reus Benandonner, waarbij de eerste een stuk kleiner was dan zijn Schotse tegenstander. Om de afstand te overbruggen bouwden de twee aan een brug over de Ierse Zee, maar de Noord-Ierse gigant viel tijdens de werken in slaap. Toen diens vrouw de Benander hoorde naderen, legde ze vlug een deken over Finn en maakte ze de Schot wijs dat het haar zoontje was dat lag te slapen. Benander vroeg zich af hoe enorm Finn dan wel moest zijn, als zijn zoon al zo groot was en vluchtte weg, waarbij hij de brug compleet vernielde. Een wetenschappelijk wat meer aanvaardbare uitleg is dat er op het Ierse vasteland miljoenen jaren geleden veel vulkanische activiteit was, waarbij de snel afkoelende lava zorgde voor de zes- en achthoekige zuilenstructuur. Volwassenen krijgen voor 8,5 pond toegang tot het museum en de pendelbus die je van het museum tot de UNESCO-erfgoedsite brengt. Zij die dat bedrag liever op zak houden, kunnen ook op voorhand wat informatie over de Giant’s Causeway opsnorren en gewoon tot aan het basaltwonder wandelen, dat is gratis.

 

Uit huwelijken

Net voorbij Bushmills – waar een bezoek aan de nog steeds functionele whisky-stokerij een absolute aanrader is – moet je echt even halt houden aan Dunluce Castle. Van het originele kasteel uit de zestiende eeuw blijven momenteel enkel nog de ruïnes over, maar de enorme omvang van en steile kliffen waarop het bouwsel staat, zorgen voor een majestueuze aanblik. Eentje die ook voormalig Brits premier Winston Churchill niet ontging, aangezien hij het kasteel enkele jaren in zijn bezit had. Ik parkeer er de Kawa net voor zonsondergang – ruim nadat de hordes toeristen huiswaarts zijn gekeerd– en krijg zo een van de mooiste uitzichten op de omgeving voorgeschoteld. Al blijven de watjes er het best niet te lang plakken: volgens de legende spookt het immers nog steeds op Dunluce Castle. Lord McQuillan zou er namelijk ooit zijn dochter Maeve Roe opgesloten hebben in de noordoostelijke toren, omdat ze weigerde om uitgehuwelijkt te worden. Op een stormachtige avond vluchtte ze weg met haar ware liefde, door vanuit de Mermaid’s Cave – een grot onder het kasteel – met een roeiboot de open zee op te trekken. Helaas sloeg hun sloep te pletter op de kliffen, waarna Maeve Roe er niets beter op vond dan te gaan rondspoken in haar gevangenistoren. Ik zie geen spoken, maar krijg het wel koud en rij snel de laatste kronkelende kilometers tot Portrush waar de Kawa aan het schijfremslot gaat en ik de luikjes sluit.

Shop until you drop

De volgende ochtend vertelt de dame van Toerisme Noord-Ierland me tijdens een uitgebreid ontbijt met worst, bonen in tomatensaus en champignons dat ik absoluut eens langs Beaghmore moet passeren – het lokale Stonehenge. “It’s a magical place”.  Dat wil ik wel eens van dichtbij gezien hebben, dus duik ik achter de computer en krabbel ik mijn geïmproviseerde roadbook op een stukje karton. Om naar Beaghmore te rijden, blijkt dat je eerst een heel stuk zuidwaarts dient te bollen. Vanuit Portrush kan je het best de A2 volgen tot in Portstewart en pas daar de ‘dalende lijn’ inzetten richting Coleraine. Volg Portstewart Road tot net voorbij de gebouwen van Ulster University, waarna je rechts aanhoudt tot je eindelijk over de rivier Bann geraakt – dit is vanaf de Noordelijke Atlantische Oceaan gezien de eerste plaats waar een oversteek lukt. Daar volg je even de rivier, tot een pijl naar rechts aanduidt dat je richting Limavady en Londonderry kan. Liefhebbers van een gezellig stadscentrum en uitgebreide winkelmogelijkheden komen in die laatste steden ruimschoots aan hun trekken, maar ik blijf met de motor het liefst zo ver mogelijk weg van alle drukte en verlaat daarom de hoofdweg al in Macosquin. Van daaruit is het al groen, weiland en bergachtige landschappen wat de klok slaat van Ringsend, over Drumsurn tot Dungiven. Op de weg naar Feeny is het leuk om een ommetje te maken richting Banagher Old Church, de restanten van een oud kerkje omgeven door grond. Het bouwsel staat al sinds 1100 min of meer recht, wat gezien de weinig vergevingsgezinde weersomstandigheden een wonder mag heten. Als je van het bijgelovige soort bent, dan moet je zeker even passeren langs de huisvormige grafkelder die naast de kerk staat: als je daar een paar korrels zand van meeneemt, dan brengt je dat volgens de overlevering geluk. In plaats van meteen terug te keren naar Feeney Road, kan je ook even binnendoor rijden tot aan Banagher Glen, een van de oudste eikbossen van de omgeving met bijbehorend stuwmeer. Liefhebbers van een fikse wandeling parkeren de motor op het eind van Magheramore Road en stappen het rondje van van veertien kilometer rond het stuwmeer. Of je kan proberen om met je motor zo ver mogelijk op de klim te rijden. De bergweg in grind is uitdagend, maar je rijdt constant langs een zijtak van de Altnaheglish-rivier wat prachtige plaatjes oplevert.

 

Boordstenen en beuken

Als je nadien van het schilderachtige Feeny richting Draperstown wil sturen, dan krijg je een twintig kilometer lange bergpas door een desolaat landschap voorgeschoteld. Niet het soort van col dat je de ene haarspeldbocht na de andere voor de banden gooit, wel een veeleer op- en neerduikend exemplaar met hier en daar een stevige wending. Hoe verleidelijk het ook lijkt om even vol op het gas te gaan, weet dat er hier en daar kuddes wilde schapen over de weg lopen. Tenzij je graag wol uit de radiator plukt, hou je dus maar beter twee vingers op de voorrem. Net voor Draperstown draai je rechtsaf richting Six Towns om een heerlijke eenvaksweg tussen weivelden soldaat te maken, tot je in Broughderg links richting Beaghmore zwenkt. Voor een Noord-Ierse versie van Stonehenge te zijn, vallen meteen enkele zaken op. Zo worden er geen busladingen toeristen gedropt, je hoort enkel de wind huilen en de vogels fluiten en … je ziet niks. Althans, tot je op een meter of twintig van het monument genaderd bent dan toch. Had je je op een majestueuze constructie verheugd, dan kom je met enkele cirkels antieke boordstenen wel even bedrogen uit. Al dient gezegd dat het plaatsje wel iets heeft, als je de moeite doet om de historiek te lezen op de aanwezige infobordjes. Als je even doorwandelt kom je ook nog een paar dolmen – of hunebedden – tegen op het perceel. De moeite waard om zo diep zuidwaarts te rijden? Niet echt, al is elke reden om over deze prachtige wegen te sjezen goed genoeg.  Na de lichte desillusie rij ik in één streep door van Beaghmore naar Ballymoney, met Tobermore, Kilrea, Rasharkin en Finvoy als aan te raden viapunten. Ballymoney is met zijn Dunlop Memorial Garden de ideale stopplaats om je boterhammetjes te verorberen. Daar staat sinds 2010 een monument dat gewijd is aan beide overleden Dunlop-broertjes Joey en Robert: een gepolijste granieten obelisk en bronzen beeltenis zorgen ervoor dat de legendarische racebroers nooit vergeten worden. Alsof de Noord-Ieren dat ooit zouden doen. Nadat ik de laatste kruimels van mijn schoot en binnen het zicht van enkele vliegende straatratten heb gekatapulteerd, vervolg ik mijn weg naar de Dark Hedges van Stranocum. Dat is in se niet meer dan een landweg, maar dan wel eentje met aan weerszijden twee eeuwen oude beukenbomen die destijds door de Stuarts geplant werden om de bezoekers van hun erf – Gracehill House – te  imponeren. En of ze daarin geslaagd zijn. In de loop der jaren zijn de takken van de kruinen in elkaar verstrengeld, waardoor er een impressionante bomentunnel ontstond waaronder je je kunt vergapen aan een spectaculaire mix van licht en duister. En dat is ook de toeristen niet ontgaan: in hele hordes komen ze hierheen. Is het niet om een snelle selfie te regelen met het natuurwonder, dan zeker omdat ook hier een aflevering van Game of Thrones werd ingeblikt.

Eenmaal de drukte ontvlucht, is het stilaan tijd om de reis af te ronden. Ik draai nog even af via het landelijke Moyarget, alvorens koers te zetten naar het havenstadje Ballycastle waar ik al eens passeerde. Van daaruit rol ik zuidwaarts richting Larne om er de motor terug in te leveren bij Phillip McCallen. Het is verre van de kortste route richting Lisburne, maar wel veruit de allermooiste – en tevens een laatste poging om de fantastische trip naar Ulster op mijn netvlies te branden. Geen idee hoe, wanneer of met wie, maar één ding weet ik zeker: Noord-Ierland, tot de volgende!

 

Deze reisreportage verscheen in het Motoren & Toerisme 7-2016.

Facebook comments