Reisverhaal: Tirol

Tirol. Zuid-Tirol. Oostenrijk. Noord-Italië. Met als rode draad: bergen. Dolomieten. Houten balkonnen met bloembakken die overlopen van de fleurige en geurige bloemen. In het centrum van een verenigd Europa ligt een schitterend, maar verscheurd gebied waarvan de wortels in het Noord-Italiaanse dorp Tirol te vinden zijn. Op zoek naar Andreas Hofer en de turbulente geschiedenis van de historische Alpenregio Tirol.

 

Tekst: Lars Wennersheide

Vertaling: Bart De Schampheleire

Foto’s: Lars Wennersheide, Arnout Nilis

 

Het afscheid aan Duitsland valt me niet zwaar als we in Mittenwald de grens met Oostenrijk oversteken. Mijn motorlaarzen voelen als zwemvliezen aan en door de kou en het nat heb ik geen gevoel meer in mijn tenen. Om mijn gedachten te verzetten neurie ik een deuntje, maar ondanks het feit dat we in de hoogzomer onderweg zijn, zorgt de ellendige motregen voor een troosteloze aanblik van het kroegje in Scharnitz. Het terras van het café is versierd als kon er elk moment een groots verjaarsdagsfeest losbarsten, een feest waarvoor alle genodigden blijkbaar in allerlaatste instantie hun kat hebben gestuurd. De handvatverwarming gloeit. Achter het windscherm van de GS Adventure rol ik me tot een bolletje en ben blij om elke vierkante centimeter bescherming die de imposante kuip biedt. De toppen van het Wetterstein- en Karwendelgebergte die de poort naar Tirol vormen laten zich geen enkele keer zien. Het is pas als verkeersborden melden dat we de zestien procent steile afdaling naar het Inntal gaan inzetten en de remmen van de boxers op de proef worden gesteld, dat de vakantie- en Alpenstemming er eindelijk in sluipt.

 

Elfendertig

Hoe vaak zou ik in mijn leven al naar Tirol gereden zijn op de motor, op zoek naar bochtige wegen of om op weg naar een meer zuidelijke bestemming toch mijn eerste drang naar bochten te stillen? Tirol is voor mij als motorreiziger één van de weinige regio’s waar ik graag vaak terugkomen. In de meeste andere regio’s heb ik het na een paar reizen wel gezien, naar Tirol kom ik echter ook de elfendertigste keer met de glimlach terug. Terwijl ik mijmerend over mijn talrijke bezoeken aan Tirol verder rij, heb ik het bijna niet in de gaten dat het verkeer drukker wordt en er meer omgevingsgeluid mijn helm naar binnen waait. Innsbruck warmt de harten –en mijn onderkoelde voeten!- op met een aanstelijke mix van Italiaanse nonchalance en Weense humor. De hoeven van de paarden die plichtsbewust de toeristenkoetsen trekken tikken op het asfalt voor de Hofburcht, in de achterliggende oude binnenstad die een beetje chaotisch aan doet is gemotoriseerd verkeer verboden. De fraai verlichte Hofburcht wordt prachtige weerspiegeld in de waterfilm die nog op de weg ligt. Waarschijnlijk zijn we de laatste gasten van vandaag voor Café Sacher. Dit Weense instituut zit verstopt in een zijvleugel van het prachtige gebouw dat al van bij het begin van de Nieuwe Tijd de vorsten van Tirol onderdak bood.

 

Eerst licht, dan zwaar

Chef Marc en ober Nico van Café Sacher hun vlinderdasjes zitten perfect, op hun dieprode schorten valt geen vlekje te bespeuren en het zilveren dienblad maakt het plaatje helemaal compleet. Worden door hen aangebracht: chocoladetaart met ‘Einspänner’, geflankeerd door Sacher chocoladelikeur en een stukje Taler bittere chocolade, basisingrediënt van de Sacher chocoladetaart. Die ‘Einspänner’ is een dikke laag slagroom die de koetsiers bij hun koffie bestelden. Terwijl ze met één hand de teugels van hun gespan vasthielden en hun vrije hand gebruikten om hun koffiekop vast te klemmen, hield de dikke laag slagroom hun koffie warm tot de volgende pauze. Je vorkt voelt nagenoeg geen weerstand als je hem door de Sachertaart drijft, door de luchtige lagen chocolade en de abrikozenconfituur. Zo licht de vork door de taart gaat, zo zwaar zal ze later op de avond op onze magen blijven liggen.

 

Boel

 

Het is niet bepaald de statigste laan van Innsbruck die de naam van Andreas Hofer draagt. We kruisen de Andreas Hoferstraat bijna onopgemerkt, op weg naar Bergisel, een buitenwijk van Innsbruck. Sinds het schansspringstadion voor de Olympische Winterspelen in de beboste kuip ten Zuiden van Innsbruck werd ingeplant, lijkt Bergisel vanuit de hoogte gezien een beetje op een overmaats eierdopje. We zijn op zoek naar het bronzen standbeeld van Andreas Hofer. Grimmig kijkt de potige kerel ons van onder de randen van zijn hoed toe. Volle wangen, het haar tot over het voorhoofd gekamd en een volle baard die tot op zijn brede bast valt. De vlag van Tirol in de hand en de adelaar van Tirol naast hem. Overduidelijk de pose van een overwinnaar. “Voor God, Keizer en Vaderland”, luidt het opschrift. Bij het begin van de negentiende eeuw zorgde Napoleon voor een niet te overziene chaos in Europa, met steeds weer verschuivende grenzen en wijzigende machtsverhoudingen. Tirol geraakte ingesloten tussen de Fransen en hun Beierse bondgenoten enerzijds en het Oostenrijk van de Habsburgers aan de andere kant. In 1809 kwamen de Tirolers in Bergisel in opstand en wonnen onder aanvoering van Hofer de eerste drie van vier veldslagen en bevrijdden het land voorlopig van de Beierse bezetter. Hofer zou de vierde slag van de Tirolse volksopstand niet overleven en werd later een verheerlijkt en vaak misbruikt symbool van de Tirolse hang naar onafhankelijkheid.

 

Meisjesachtig

De Brenner snelweg en de spoorweg draperen een tapijt van gedempt geluid over het bosrijke gebied dat we in de richting van het Stubaidal verlaten. Zin om met de motor te rijden is de enige reden waarom we het Stubaidal zijn in gereden, verder niks. Het is hier zo fijn sturen dat we de politiepatrouille veel te laat opmerken en even later heren in uniform met oog voor detail de gegevens van onze rijbewijzen overschrijven. Paragliders zorgen voor kleurrijke stippen in de blauwe lucht. In Neustift wachten de talrijke hotels en pensions op de wintergasten, in Milders is een man met een zeis aan de slag om de groene heuvels te kortwieken. Het water van de gletsjer van Stubai komt ons in een kolkende rivier tegemoet, de 85 meter brede Grawa waterval vormt een schouwspel op zich. Na goed dertig kilometer sturen is het in Mutterbergalm op bijna tweeduizend meter hoogte plots gedaan met de pret. Het lijkt wel alsof hier een UFO geland is van waaruit rode gondels naar de top van de gletsjer worden geschoten. In het dalstation van de kabelbaan van Mutterbergalm kan je allerhande sportartikelen kopen, toeristische brochures beloven je in de nieuwe ijsgrot bij de gletsjer een dolle kleurenpracht terwijl de live-beelden vanaf de top die je hier te zien krijgt meer gelijken op foto’s die in de WC-pot gevallen zijn. Hoewel Arnout een rijk verleden als motorreiziger heeft, is hij voor het eerst in Tirol. Hij laat me meegenieten van zijn bijna meisjesachtige blik op de dingen. “Is het je ook al opgevallen hoe proper en geordend alles hier is? Het lijkt wel alsof de natuur hier bij de creatie der dingen door mensenhanden is geholpen.”

 

Niets of niemand

Direct over de Brennerpas naar Zuid-Tirol? Dat zou toch jammer zijn, Arnout, want de Timmelsjoch moet je toch ooit eens in je leven gereden hebben. We bestuderen het uur op de boordcomputers van onze motoren en komen tot de vaststelling dat het krap kan worden om de Timmelsjoch voor donker te halen, op de pas geldt immers een nachtelijk rijverbod. We keren terug naar het Inndal, zwenken richting Sellraindal en Kühtaisattel. Tussen alle bekende dalen in de omgeving lijkt dit dal een beetje op het kleine dikkerdje dat vroeger bij het voetbal spelen altijd als laatste werd gekozen, maar vaak toch het winnende doelpunt uit zijn sportschoenen schudde. We schroeven het tempo op, ik vergeet de tijd. De straten zijn leeg, het gaat enkel nog om het asfalt en wij. Het laatste kwart van de gasslag van de BMW maakt mijn armen lang. Terug naar tweede versnelling, scherp insturen en het gas weer in de hoek. De Melachkloof zuigt ons in turbotempo de hoogte in. Rondom ons veel bergboerderijen en handarbeid. Verder niks of niemand. De flat twins bepalen het geluid in het smalle Kerbdal waar in de rotsen tunnels geboord worden. Korte stop bij Kühtaisattel, achter ons ligt het Nederdal dat bij Oetz in het Oetzdal uitmondt.

Polonaise

De Timmelsjoch is als één van de hoogste geasfalteerde passen in Europa een begrip, een absolute must voor elke motorrijder. Jammer dat de Timmelsjoch al lang geen geheimtip is waardoor het op de bergpas soms enorm druk kan zijn en would-be Valentino Rossi’s er strijd komen leveren met would-be Marc Marquezjes. We nemen onze plaats in de polonaise van motorrijders in en stuiven vergezeld door een massa rode achterlichten voor ons en door evenveel witte koplampen in onze achteruitkijkspiegels naar boven. Bij het tolhokje weent de portemonnaie. Vlak naast het kassahuis staat een kubistisch bouwwerk met opmerkelijke beelden en een platform dat over het dal lijkt te zweven. “Perfecte locatie voor een pauze’, vindt Arnout terwijl hij de endorfinerush mixt met nicotine. Nevel kruipt langs de bergwand omhoog en lijkt het dal te vullen met slagroom. Iets later rijden we over de kale hoogvlakte langs de Timmelsbeek waar de wolken ons angstvallig in de gaten lijken te houden. Als we even verder halt houden bij de brug over de beek, overvalt ons een sfeer van misdaadromans. Heb je iets te verbergen, dan vind je in dit niemandsland duizenden plekjes om ongestoord je ding te doen of ergens ongemerkt van af te geraken. Dit moet een speeltuin geweest zijn voor de smokkelaars die hier vroeger dwars door de bergen de zo kort mogelijke verbinding zochten tussen Noord-Tirol en de voormalige hoofdstad van Tirol. De smokkelaars deelden de oorspronkelijke pasovergang met herten, handelaars en reizigers allerhande die de oude weg tussen Zwieselstein ten zuiden van Sölden en Moos in het Passeierdal te voet of met muildieren aflegden. Aan hen is onze volgende stopplaats gewijd. In een groot betonblok is een mensensilhouet uitgespaard zodat je het blok kan betreden. Tot honderd kilogram waar droegen de kruiers uit het Otzdal over de berg. Ze ruilden vlas, vee en spek tegen wijn en azijn. In de regio wordt verteld dat deze route in tijden voor Christus al in gebruik was, de eerste schriftelijke verwijzing naar de Thymelsjoch dateert evenwel van 1241.

 

Rambo op de Rombo

We laten het bijzondere bouwwerk achter ons en rijden door de koele berglucht verder, begeleid door miljoenen mini sneeuwvlokjes die naar beneden komen gedwarreld. De bochten worden krapper, het parkeerterrein bij Rasthaus Timmelsjoch is leeg, de uit graniet gehouwen Tirolse arend spreid eenzaam zijn vleugels tegen de wind. We zijn vandaag echt wel de laatsten op deze bergpas en dalen langs de Passo del Rombo –de Italiaanse benaming van de Timmelsjoch- af richting pizza en pasta. Door een ellenlange rij tunnels storten we ons in de inmiddels donkere diepte. Voorbij de derde tunnel is de beroemde houten slagboom gelukkig nog geopend en hoef ik me geen zorgen te maken over een ‘wat als?’-scenario. In bocht vier ligt een motor op de rijweg. Het meisje dat we een poosje geleden met de angst in de ogen over de pas zagen rijden zit te huilen in de berm. Met haar korte beentjes en betraande ogen ziet ze er heel kwetsbaar uit, haar motor met rood frame en tweecilinder krachtbron gunt ze geen blik meer. Wedden dat het haar vriendje zijn idee was om haar deze motor aan te schaffen, omdat die nu eenmaal van hetzelfde merk was als zijn racemotor en zonnebril met spiegelglazen? Onophoudelijk praat hij op haar in. We bieden het koppel onze hulp aan, maar worden door de pseudo Rambo botweg wandelen gestuurd terwijl hij maar verder raast. Idioot, op deze manier zal je meisje nooit meer met de motor rijden en al helemaal niet meer samen met jou. In het stikdonker rijden we de laatste meters van de Passo del Rombo.

Tol van de roem

Fast forward naar de volgende dag, dorpje Tirol. We kruisen smalle steegjes, alles is tot in de puntjes verzorgd en elke boom lijkt wel een appelmachine. Uit het stof van de vlakte van Merano duikt op een rotspunt het slot Tirol op. “Hier vind je de geschiedenis van Tirol”, zegt Leo die directeur is van het museum. Hij is Italiaan, vandaar dat één extra knoop van zijn overhemd open staat. “De wegen zorgden voor de rijkdom van Tirol, zowel vroeger als nu. De wegen over de bergen waren in de late middeleeuwen minstens even belangrijk als de Brenner snelweg vandaag. Wie in de middeleeuwen controle had over het wegennet, die inde tol en verdiende dus geld. Veel geld”, vertelt Leo die Tirol omschrijft als een scharnier tussen de Zuid-Duitse regio rond Augsburg en het Noord-Italië van Venetië tot Lombardije. Twee rijke regio’s die veel zaken deden met elkaar en al die stoffen, zilverwaren en kruiden moesten wel over de wegen van Tirol vervoerd worden omdat een omweg toen nog onmogelijk was. Voor ons opent zich de ridderzaal van het kasteel. “In heel Tirol vond je in de middeleeuwen geen grotere zaal dan deze”, weet Leo. De zuidgerichte ramen geven een schitterend uitzicht over het Etschdal en Vinschgau. Wie hier zit, heeft een perfect overzicht en weet welke waren er allemaal onder hem vervoerd worden. Een zekere Meinhard II, graaf van Tirol, geldt als eerste die er in geslaagd is om het lappendeken van microstaatjes te verenigen. Van hieruit, de latere kantonshoofdstad, kreeg hij als eerste een land in zijn macht dat overal door dalen doorsneden werd met grote passen rondom. In dit kasteel werd de basis geleg van de eindeloos draaiende en kerende wegen waarop wij ons als motorrijders nu uitleven. De adelaar is overal aanwezig in het gebouw als het symbool van Tirol. “Adelaars kunnen heel hoog vliegen en slagen er ook in het hooggebergte in om hun prooi te vinden”, luidt de logische verklaring van het symbool. Het dorpje Tirol ligt mij na aan het hart. Als vierjarige kwam ik hier voor het eerst met mijn ouders op vakantie, op mijn twaalf paardjes sterke Vespa kwam ik hier naartoe tijdens mijn eerste reis op een gemotoriseerde tweewieler en ook mijn eerste lief moest er aan geloven, ze moest en zou met me meekomen naar Tirol. Ondertussen is er wel veel veranderd. De moderne trein glimt als een zilveren pijl in het zonlicht, de tafelkleedjes op de terrasjes dragen niet langer het typische wit/rode dambordmotief en het oude Alpengasthof heet nu Culinaria. Geen mooiere illustratie van een regio die op zoek is naar een identiteit tussen traditie en trendy.

 

Niks dan last

Met het dorp Tirol laten we het doel van deze reis achter ons, terug naar het Passeirerdal dat zich aan de voet van drieduizend meter hoge bergen naar het Noorden uitstrekt. De oorspronkelijke bewoners van het dal, de Pseirer, staan te boek als een sterk volk dat zich in de loop van de geschiedenis wapende tegen de barre winterkou. Eén van de Pseirers is Ehrenreich die in Sankt-Martin een delicatessewinkel runt waar het Zuid-Tirols boerenspek dé specialiteit van het huis is. “Het verse vlees wordt gedroogd in een geheim kruidenmengsel met ondere andere peper, kruiden en muskaatnoot. Na acht dagen wordt het gekeerd om na het drogingsproces voor veertien dagen in de rookkamer te belanden. Daarna kan het vlees zes maanden rijpen”, doceert Ehrenreich. We kopen een stuk spek, stoppen het in de aluminium zijkoffer van één van onze motoren die we twee kilometer verder parkeren voor het Sandhof. Op de gevel van het witgekalkte gebouw staat in grote letters ‘Geboorthuis A. Hofer’. Ten tijde van Hofer werden de lastpaarden hier op een weg naar Innsbruck omgepakt, de steile Jaufenpas zou voor de zwaarbeladen paarden te lastig zijn zodat de last in kleinere stukken en over een groter aantal paarden werd verdeeld. Als zakenman, wijn- en paardenhandelaar kwam Hofer overal, hij was overal bekend en had in de omliggende dalen veel vrienden. In moderne bewoordingen gesteld beschikte Hofer over een groot netwerk en precies dat netwerk zorgde er voor dat hij op de barricaden van de vrijheidsstrijd tegen de Beiers-Franse alliante belandde. In de oude stal van het gebouw die tot museum werd omgebouwd, treffen we Judith. “We willen hier de mens achter de held Hofer tonen, proberen onze bezoekers uit te leggen dat ze het conflict vanuit een Europese context moeten bekijken om op die manier zichzelf een beeld te vormen van de Che Guevara uit Tirol”, aldus Judith.

 

Dankzij de grote brandstoftank hoef je met een GS Adventure weinig tankstops in te lassen, maar met de Jaufenpas en de Penserjoch op de terugrit kunnen we het vat in Sankt-Leonhard nog maar best eens bijvullen. Wie hier met een Italiaanse bankkaart (enkel die worden aanvaard!) betaalt, krijgt zijn brandstof beduidend goedkoper dan iedereen die met cash komt aandraven. Bizar, al kan je dat ook wel verwachten van een brandstofmerk dat een hond met zes poten als logo voert.

De grote ronde huiswaarts voert ons over Jaufenpas en de Penserjoch. Op de Jaufenpas komen we terecht in een incentive reis met de nieuwste Porsches die meer weg heeft van een race waarna een organisator van motorreizen ons met een hele kliek in zijn zog tegemoet komt gevlogen. Het gezelschap claimt de volledige breedte van het racecircuit –excuseer: de openbare weg- en we moeten de laatste centimeters vrije ruimte langs de rotswand benutten om onze motoren er veilig door te krijgen. Ik ben blij dat we ongeschonden in Bolzano geraken waar de wegwijzers naar de Seiser-Alm hoogvlakte enkel nog in het Italiaans geschreven zijn, de bochten langer en de weiden imposanter worden. Haflingers die staan te grazen in de zon maken de berijdbare prentbriefkaarten helemaal af. Aan de oostgrens van Tirol liggen de Dolomieten met de Sellapas en de Grödnerjoch, maar wij rijden terug Oostenrijk binnen. Arrivederci Italia, warm welkom in Oost-Tirol. Langs de Krimmler watervallen, over de Gerlopas naar het Zillerdal. De lucht trekt dicht, de hemel weent. Ik wil nog niet naar huis…

 

 

 

 

 

Facebook comments