Reizen: Laos

Werelderfgoed Luang Prabang, de Vlakte der Kruiken en natuurlijk de machtige Mekong: het Zuidoost-Aziatische land Laos, dat in tijden van het vroegere koninkrijk ‘het land van miljoen olifanten’ heette, heeft een rijke cultuur met prachtige bezienswaardigheden. Rondreizen in dit land is echter een gesel. De wegen zijn slecht onderhouden en bussen tuffen tergend traag door de bergen. Dus wat is een betere manier om de highlights van Laos te checken dan per motor?

 

Tekst & Foto’s: Wilke Martens

 

Onverwacht

Met het puntje van mijn tenen kan ik nog net aan de grond als ik op de Honda FTR stap. Ik schop de standaard in en wiebel een beetje heen en weer. Het lukt om de motor onder controle te houden met mijn schamele 1 meter 60, maar iets meer stabiliteit zou fijn zijn. Ik weet immers niet wat me te wachten staat aan gaten of obstakels op de weg. James Barbush - de oprichter van Remote Asia, de reisorganisatie waarvan ik de motor huur - leest de twijfel van mijn gezicht. “Wait a minute”, zegt hij, “let me make a call.” Ondertussen wiebel ik nog wat heen en weer. “Goed nieuws, er staat nog een FTR met verlaagde vering in de shop.”

Het was eerder die ochtend dat een tuktuk, op telefonische instructies van James, me van mijn guesthouse in het centrum van Vientiane, de hoofdstad van Laos, naar een zandweg langs de Mekong had gereden. Er was in geen velden of wegen een kantoor te bekennen, maar wel zag ik twee motoren staan. James kwam tevoorschijn uit één van de tuinen in deze expat-wijk en nodigde me uit om binnen te komen. Onder het genot van een verse kop koffie, nam hij nog een laatste keer de route met me door aan de tafel in zijn achtertuin. In een hoek stond een konijnenhok, naast de zandbak, en het dier sprong paniekerig door zijn hok. Het waren niet de typische elementen die ik in een Laotiaanse achtertuin zou verwachten, net zoals de koffie onverwacht lekker was.

Met alle Chinezen…

Van hoofdstad Vientiane zou ik naar het noorden rijden, naar Vang Vieng. Mijn weg zou zich vervolgen naar Phonsavan, in het oosten, bekend om de mysterieuze Vlakte der Kruiken, om via het kleine plaatsje Vieng Thong en Nong Khiaw in Luang Prabang te eindigen, de culturele hoofdstad van het land. Zonder gids en zonder mechanische kennis zou ik op pad gaan, maar gelukkig sprak ik een paar woorden Laotiaans en ik kreeg een reserve binnenband mee. Enige zorgen maakte ik me wel, want een paar dagen voor mijn vertrek hadden zich gewelddadige incidenten voorgedaan op route 13, de weg die ik onvermijdelijk zou moeten passeren. Onbekende gewapende mannen hadden het gemunt op een Chinese bus, waarbij er dertien gewonden waren gevallen. Plaatjes van met bloed besmeurde busstoelen passeerden op de Facebook-pagina’s van Laotianen. Bij rondvraag bleek het niet de eerste keer dat Chinezen werden aangevallen, een reeks incidenten had zich in de afgelopen maanden voorgedaan op dezelfde weg.

Zolang je niet ’s nachts rijdt en zolang er geen Chinese vlag aan je motor wappert, hoef je je geen zorgen te maken”, had James gezegd toen ik hem naar de problematiek vroeg. Waar het geweld tegen Chinezen precies vandaan kwam, wist hij ook niet. “Er circuleren allerlei verhalen”, vertelde hij. “Het zou iets te maken kunnen hebben met een groot Chinees mijnproject in de regio. Wellicht zijn sommige Laotianen de invloed van de Chinezen zat.”

 

Hoger, lager

Ik besluit me over de incidenten geen zorgen meer te maken, hijs me in mijn motorkleding en volg James’ routebeschrijving naar de shop aan de andere kant van Vientiane. Een duidelijk naambord is er niet, maar als ik enkele grote motoren voor een garage zie staan, blijk ik de shop te hebben gevonden. Ik word verwacht, één van de mannen gebaart dat ik kan gaan zitten. Voor zover ik had begrepen stond er reeds een FTR met lagere vering klaar, maar de motor waarop ik ben gekomen wordt naar binnen gereden en onder handen genomen. Ik kijk toe hoe er, met mijn tas nog achterop, vanalles van de motor wordt geschroefd. Losse onderdelen liggen her en der over de vloer verspreid. Buiten is één van de monteurs bezig met een motorfiets die uit niet veel meer bestaat dan een motor en een half frame.

Als ze ‘m maar goed vastgezet hebben, denk ik als mijn motor weer naar buiten wordt gereden. “Kop chai lai lai”, dank jullie hartelijk, roep ik naar de mekaniekers. Ik stap op de verlaagde motor, deze keer met mijn voeten stevig aan de grond. Ik ben klaar voor het avontuur

Vis op de weg

Met maar een paar wegen die naar Vientiane leiden, is het niet moeilijk om die naar het noorden te vinden. Helaas betekent dat ook dat er veel vrachtverkeer is dat gretig van deze handelsroute met Thailand gebruikmaakt. Toch blijkt na enige tijd dat het grootste deel van Laos echter nog altijd een rurale samenleving is. Als ik het gros van het verkeer achter me heb gelaten en juist mijn snelheid wil opvoeren, rent er plots een jongen de weg op. Hij raapt iets op en rent terug naar zijn scooter, die in de berm geparkeerd staat. Vanuit mijn ooghoek kan ik nog net zien dat hij een vis terug stopt in het plastic tasje aan zijn stuur…

Het duurt niet lang voordat mijn weg weer geblokkeerd wordt, door een kudde koeien dit keer. Zelfs het claxonneren van pick-uptrucks doet de dieren niet aan de kant gaan, dus het lijkt me beter om even halt te houden en ze te laten passeren. Ik blijk naast een klein ‘wegrestaurantje’ te staan, te herkennen aan de Beer Lao-tafelkleden en mandjes met flessen vissaus op tafel, dus ik besluit hier maar te pauzeren. Verbaasd word ik gadegeslagen door de vrouw die aan een laag tafeltje stukjes vlees aan prikkers zit te rijgen. Ik bestel een noedelsoep, aangezien de kans groot is dat dat het enige is wat ze op dit uur serveert. De vrouw glimlacht en loopt naar achter. Ondertussen komen haar dochters uit school, die met grote ogen schaamteloos naar me zitten te staren. ‘Sabaidee’, hallo, probeer ik, maar ze zijn te verlegen om iets terug te zeggen.

Als ik de noedelsoep voor de helft heb opgegeten - onherkenbare dierlijke ingrediënten zijn niet mijn favoriet - vervolg ik mijn weg naar Vang Vieng. Het stadje was tot enkele jaren geleden vooral populair onder backpackers vanwege het zogeheten tubing: op een binnenband dreven jongeren de rivier af, om onderweg bij verschillende bars aan te meren. Omdat er jaarlijks tientallen slachtoffers vielen - door dronkenschap en/of ongelukken op de rotsen bij laag water - zijn deze praktijken grotendeels aan banden gelegd. Toch komen er nog altijd veel toeristen en hebben de populaire activiteiten zich uitgebreid: naast het tuben kun je er nu ook rondrijden in buggy’s of quads. Als ik door het stadje loop, lijken backpackers echter genoegen te nemen met het kijken naar de herhalingen van Friends die in ongeveer ieder restaurant worden vertoond.

In het centrum wil ik mijn tijd dan ook niet verdoen en ik spring de FTR weer op om, zolang de zon nog niet onder is, de omgeving te verkennen. Vang Vieng staat namelijk ook bekend om de prachtige kalkstenen rotsformaties die uit de rijstvelden opdoemen. Om er te komen moet ik een brug over, die er nogal gammel uitziet met de roestige brugpijlers en houten planken waar ik overheen moet. Als ik echter de brug op wil sturen, word ik tegengehouden. Tienduizend KIP, zoals de lokale valuta nu eenmaal heet, kost het om retour over de brug te mogen. Dat is ongeveer een euro. Eerlijk is eerlijk, het landschap is die ene euro meer dan waard. Rustig rijd ik over de weg en kijk uit over de rijstvelden, waar nog een enkeling zo laat in de middag aan het werk is. Op de achtergrond doemen de rotsen op, in allerlei verschillende vormen en maten. De laaghangende zon hult het decor in een goudroze gloed. Als ik linksaf een zandweg op rijd, beland ik achter een jongen op een scooter die met een bamboestok zijn kudde waterbuffels naar hun overnachtingsplek drijft. Ik kan niet anders dan glimlachen om de merkwaardige combinatie van techniek en traditie.

Toeristische attracties

Honderden kleine witte vlindertjes fladderen van het ene rijstveld naar het andere, dwars de weg over. Het geeft een sprookjesachtig sfeer, al sneuvelen er wel een aantal onder mijn off-road banden. Het lijkt een echt sprookje als ik even later een brommer vol kleurrijke ballonnen inhaal, de man is vermoedelijk onderweg naar het volgende dorpje om zijn speelgoed te verkopen.

Maar het wordt grimmig als ik een uur na mijn vertrek uit Vang Vieng langs een marktje kom. Honderden kleine flesjes met bruine vloeistof staan opgesteld in de kramen, naar verluidt ‘natural medicine’ voor voornamelijk Chinese klanten. Ook hangen er berenklauwen en worden er levende schildpadden en bamboeratten verkocht. “No photo”, zegt één van de vrouwen als ik dichterbij kom en ze verstopt gauw iets onder de toonbank. Ik wil deze illegale wildlife-handel snel achter me laten en loop terug naar mijn motor, maar zodra ik opstap verzamelt zich een groep Aziatische toeristen om me heen. Ze komen uit Hong Kong en blijken niet zozeer onder de indruk van het feit dat ik per motor reis, maar vooral van het feit dat ik alleen reis. In gebrekkig Engels word ik ondervraagd en er worden schaamteloos talloze foto’s gemaakt, maar voordat ik iets aan hen kan vragen zijn ze alweer hun minivan ingestapt. Op naar de volgende toeristische attractie.

 

Vlakte der Kruiken

Come with us, celebrate!”, roept iemand naar me terwijl ik de heuvel op loop naar ‘Site 1’ van de Vlakte der Kruiken. De avond ervoor ben ik na 235 kilometer over een slingerende, mistige weg aangekomen in Phonsavan, in het oosten van het land. Het is de uitvalsbasis om deze vlakten met mysterieuze, metershoge aardewerken potten te aanschouwen. De potten stammen uit de IJzertijd, maar nog altijd is niet met zekerheid te zeggen hoe ze er gekomen zijn en wat hun precieze functie was. Wel is zeker dat er duizenden potten verspreid liggen over wel negentig verschillende locaties. Als ik dichterbij kom zie ik een groepje jongemannen met dozen bier en watermeloenen, zij installeren zich in de schaduw van de megalieten. ‘Please join us’, herhaalt de jongeman, die bij navraag Vietnamees blijkt te zijn. Door de nabijheid van de grens wonen er relatief veel Vietnamezen in Phonsavan. Ik probeer aan hem uit te leggen dat ik de archeologische schatten wil zien, dat tien uur in de ochtend iets te vroeg is om te drinken en dat ik bovendien nog moet rijden. Mijn argumenten maken geen indruk (dronken een voertuig besturen is - hoe vreselijk ook - normaal in Laos) en hij blijft aandringen, maar toch slaag ik er uiteindelijk in de uitnodiging beleefd af te slaan. Wel is me een van de bedreigingen van de Vlakte der Kruiken direct duidelijk geworden: bewustzijn van de historische en archeologische importantie van de potten, is onder de lokale bevolking niet vanzelfsprekend. Al hebben de megalieten, ondanks verschillende waarschuwingsbordjes, ook te lijden onder gedrag van (Westerse) toeristen, die bijvoorbeeld in de potten klimmen voor een selfie.

‘Site 2’, zo’n tien kilometer verderop, is helemaal verlaten. Na een nieuw toegangskaartje te hebben gekocht, kan ik gemakkelijk doorrijden tot aan de kruiken. Ik parkeer de FTR op de zandweg en volg een smal paadje de heuvel op en het bos in. Het pad leidt naar een open vlakte, waar een tiental kruiken tussen de bomen staan. Enkele kruiken zijn zelfs gebroken door de wortels van de bomen, die langzaam maar zeker hun plek terugeisen van de grote granieten en zandstenen potten. Volgens lokale mythes stammen de kruiken uit de tijd dat het land bevolkt werd door reuzen, die na het winnen van een belangrijke veldslag de potten maakten om er rijstwhisky in te stoken. Met duizenden kruiken vol whisky moest het een reusachtig overwinningsbacchanaal zijn geweest…

 

Bomvol

Boomwortels en toeristen vormen echter niet de grootste bedreiging in de geschiedenis van de Vlakte der Kruiken. De vlakte is één van de hevigst gebombardeerde gebieden ter wereld. In de strijd tegen het communisme tijdens de Vietnamoorlog, werden hier door de Amerikanen maar liefst twee miljoen ton aan bommen neergegooid, wat Laos het zwaarst gebombardeerde land ter wereld maakt. Het landschap in met name de oostelijke provincies is bezaaid met blindgangers, die nog altijd slachtoffers maken. 

Eenmaal terug in Phonsavan merk ik dat de bevolking een enorme veerkracht heeft en inmiddels het oude metaal van de bommenresten gretig gebruikt voor van alles en nog wat. Bij restaurant Craters wordt het ingezet als decoratie. Terwijl ik naar de bommies aan de muur kijk, realiseer ik me dat het deze blindgangers zijn die archeologisch onderzoek naar de kruiken bemoeilijken. Nadat de eerste Franse onderzoeker, Madeleine Colani, in 1930 theoretiseerde dat de kruiken bij begrafenisrituelen werden gebruikt, duurde het vanwege oorlogen decennia voordat nieuwe onderzoeksteams haar theorie konden proberen te staven. En nog altijd is er maar een fractie van de sites onderzocht, aangezien het gebied veertig jaar na dato nog steeds niet volledig bomvrij is gemaakt.

Traditioneel tanken

De impact van de oorlog blijkt ook de volgende dag als ik Route 7 verder naar het oosten volg. Op de berghellingen zijn flinke kraters te zien, wat me een onbestemd gevoel geeft. Niet alleen denk ik aan de boeren die risico lopen bij het verbouwen van rijst, maar ook realiseer ik me dat je hier echt op de weg moet blijven. Simpelweg een eindje de heuvel opklimmen voor een nog betere foto kan hier levensgevaarlijk zijn. Desalniettemin duurt het niet lang voordat ik word overweldigd door het adembenemende uitzicht, zelfs vanaf de weg. Deze wringt zich in allerlei bochten door de bergen heen, met nog volop jungle aan weerszijden. Regelmatig rijd je over een hoger gelegen bergpas waarvandaan je uitkijkt over de vallei waar in de vroege ochtend nog dikke nevelslierten hangen. Je zou geen meters maken als je bij ieder viewpoint zou stoppen, maar stilstaan in de bochten blijkt sowieso niet verstandig wegens de vrachtwagens die sporadisch de hoek om komen.

Met een autonomie van hooguit 120 kilometer is het met de FTR zaak goed uit te kienen waar je moet tanken. Hoewel ik tot nu toe op de route altijd tankstations ben tegengekomen, bleek het op de weg tussen Phonsavan en Vieng Thong lastiger. Phou Lao, het plaatsje dat op de kaart een T-splitsing aangeeft tussen route 6 naar Xam Neua en route 1c naar Nong Khiaw, zou vast over een tankstation en restaurants beschikken, net zoals ik had gezien bij eerdere splitsingen. Het kleine tankstation na de brug over de rivier Nam Neun laat ik dan ook onbezocht achter. Als ik echter zo’n tien kilometer verder in Phou Lao aankom, blijkt het dorpje bij lange na niet de ‘transit hub’ te zijn die ik verwacht had. Om niet terug te hoeven, vraag ik aan een paar jongeren of er benzine te koop is. Ze wijzen naar het winkeltje naast hen. Verbaasd loop ik er langs en dan zie ik waar ze op doelen: een grote metalen tank, met een soort pompconstructie erop. Ik parkeer de Honda zo dicht mogelijk bij het luik en een jonge vrouw geeft me een tuinslang aan. Ze draait aan een wiel om de benzine omhoog te pompen en opent vervolgens het kraantje. ‘Stop, stop!’, roep ik als ik zie dat de tank zowat vol zit, maar voordat zij het kraantje heeft dichtgedraaid is de tank al overstroomd. De geur van benzine doordringt de lucht. Het meisje begint hard te lachen en gauw draai ik de dop terug op de tank. ‘Kop chai lai lai’, hartelijk dank, zeg ik, nadat ik 50.000 KIP heb betaald en met een overvolle tank vervolg ik mijn weg naar Vieng Thong.

Trots op tijgers

Had ik maar meer tijd’, zeg ik hardop, als ik de volgende dag mijn motor de stalling van het guesthouse uitrijd. Hoewel in Vieng Thong zelf niet veel meer te vinden is dan een markt, is het plaatsje de ‘gateway’ naar het Nam Et-Phou Louey NPA, het enige nationaal park in Laos waar nog tijgers leven. Met een nachtelijke boottocht kunnen bezoekers proberen de dieren te spotten. Ik stap echter weer op de FTR en volg de smalle weg die deels door het park loopt naar Nong Khiaw. Op mijn gemak kronkel ik door de met jungle bedekte bergen. Af en toe stop ik en zet ik de motor uit, om naar de kakofonie van honderden vogels en cicaden te luisteren.

Een enkele keer passeer ik een dorpje waar jonge vrouwen stoffen weven, kinderen in bomen klimmen en mannen bier zitten te drinken. Bij deze dorpjes langs de route staan billboards met een tijger en de tekst ‘we are proud to have tigers’. Ik kan alleen maar hopen dat het helpt om de dieren te beschermen, want ik zou maar wat graag een tijger in het wild zien. En hoewel de kans daarop natuurlijk  te verwaarlozen is, ben ik toch zenuwachtig als ik de bosjes in ga voor een sanitaire stop.

Uitgeput kom ik laat in de middag aan in Nong Khiaw. Niet omdat ik ben achternagezeten door een tijger, maar door de vermoeiende tweede helft van de rit. Het wegdek zat vol met gaten en het asfalt was vaker niet dan wel aanwezig. Hoewel de FTR geen moeite mee had met deze dirt road, is het fijn om na uren over keien en gaten te hebben gereden te bekomen met een koud biertje. Het balkon van mijn ‘river view bungalow’ blijkt zich hier uitstekend voor te lenen. Het kabbelende water van de Nam Ou, de rivier die omlaag stroomt, helemaal tot in de Mekong bij Luang Prabang, en de zon die roodgloeiend ondergaat achter de kalkstenen rotsen bieden genoeg om naar te kijken terwijl ik zachtjes heen en weer wieg in mijn hangmat.

Het koninklijke paleis, het uitzicht over de stad vanaf Phou Sii Hill, de prachtige tempel Wat Xiengthong en de oude Franse architectuur…, al deze highlights van werelderfgoedstad Luang Prabang, mijn eindbestemming, moeten nog even wachten. Ik besluit namelijk nog 30 kilometer verder naar het zuiden te rijden. En met een temperatuur van 35 graden kan ik niet wachten om mijn motorkleding af te gooien. Zodra ik bij de eerste ‘pool’ ben aangekomen, spring ik in het helblauwe water van de Kouang Si Waterfalls. Het koele water omsluit mijn lichaam: een betere ontspanning bestaat niet, na bijna duizend kilometer te hebben afgelegd in het land van een miljoen bochten.

 

Dit reisverhaal verscheen oorspronkelijk in Motoren & Toerisme van oktober 2016. 

 

 

 

Facebook comments