Roadbook: Doornik-Nijvel

Wie ooit de film ‘Bienvenue chez les Ch'tis’ heeft gezien weet dat onze zuiderburen niet echt hoog oplopen met het uiterste noorden van hun prachtige land, integendeel. In de film wordt een Zuid-Franse postbode als straf overgeplaatst naar een postkantoor in ’Le Nord’. Een nachtmerrie voor de arme man. Wij wanen ons echter stante pede op vakantie wanneer we nog maar één meter de Franse grens zijn overgestoken, maar vergeten ook al te gemakkelijk dat er in het zuiden van België mooie streken zijn die we tijdens onze rush naar de warmere oorden meestal achteloos voorbijrijden. Wij rijden deze maand van Doornik naar Nijvel en nemen er een stukje Noord-Frankrijk bij.

 

Tekst & foto’s: Jochen Scheire

 

De Grand Place in Doornik wordt gekenmerkt door een paar standbeelden en geflankeerd door enkele monumentale gebouwen, allemaal getuigen van de zeer rijke geschiedenis van deze Henegouwse provinciestad, na Tongeren de oudste stad van België. Het meest in het oog springt echter een soort fontein die is samengesteld uit tal van mini-geisers die geheel willekeurig af en toe een straal water de lucht in spuiten.  Wanneer we de motor op de Grand Place parkeren om een fotootje te maken tussen het naar boven gutsende water houdt de straal water telkens in wanneer we willen afdrukken. Het lijkt wel alsof er één of andere sloeber ergens in een controlekamer het dansende water kan bedienen en ervan geniet er voorbijgangers mee te pesten. Na lang proberen hebben we geluk, het kiekje is geslaagd. Geen tijd meer voor een koffietje echter, wijle weg.

Aeiouy

Na het buitenrijden van Doornik volgen we een tijdlang de Schelde. Ter hoogte van Antoing  passeer je aan CBR Antoing, een reusachtig bedrijf waar klinkers worden geproduceerd. Niet het soort dat je gebruikt om je oprit aan te leggen maar de ‘portlandklinker’, een halffabricaat dat gebruikt wordt bij de productie van cement. Het materiaal bestaat uit harde brokken die ontstaan bij de sintering van kalksteen, klei en schalie. CBR Antoing maakt hier zowat 800.000 ton per jaar van deze klinkers. Op dit stuk van de route worden we omarmd door steengroeves die de streek een stoffige indruk geven. Links en rechts zie je mastodonten van voertuigen rijden die stenen en cement af- en aanvoeren. Je zou het niet zeggen, maar dit is een zeer milieuvriendelijk bedrijf. Meer dan de helft van de energie die nodig is om de fabriek draaiende te houden is groen en proper, de Schelde die om de hoek ligt wordt dan weer gebruikt om de klinkers naar Gent, Ijmuiden en Rotterdam te transporteren.

 

De duiven gelost

In de wijde omgeving van Doornik passeren we eerst een aantal kleinere dorpskernen waardoor er nog niet echt veel plezier valt te beleven aan de route. De wegen die twee dorpjes met mekaar verbinden mogen dan wel de intentie hebben om tot een leuke stuurweg uit te groeien, na enkele kilometers wordt hun ambitie steevast de kop ingedrukt door alweer een nieuwe agglomeratie die de schwung uit hun traject haalt.

 

Na Péruwelz stoppen we in Bon-Secours voor een koffie in een hotelletje recht tegenover de imposante basiliek. Deze uit de kluiten gewassen kerk werd opgericht ter verering van de maagd Maria. Ons tafeltje blijft ook maagdelijk leeg, de patron van de zaak is nog niet klaar voor de service. Zonder de nodige cafeïneshot moet de tocht worden verdergezet. Bon-Secours ligt pal op de grens met Frankrijk maar hier gaan we de grens nog niet over. We blijven in België nog even van dorpskern naar dorpskern fietsen, wat geen straf is want de dorpjes zien er hier allemaal even gezellig uit. Eens voorbij Quièvrain begint de omgeving te veranderen, symbolischer kan haast niet. Hier worden immers met de regelmaat van de klok duiven gelost, wij kunnen een paar kilometer voorbij Quiévrain de paardjes loslaten.

Dreigingsniveau 3

We dwarsen de grens tussen het Belgische Roisin en het Franse Bry. We zijn nog geen twee bochten op Frans grondgebied wanneer een ontzagwekkende leger- en politiepatrouille voor onze neus opdoemt, een gevolg van het verhoogde dreigingsniveau. Uiteraard worden ook motards – zelfs zij die er niet louche uitzien -  langs de kant gezet. Gelukkig checkten we ‘s ochtends naar goede gewoonte of alle originele boordpapieren onder het zadel aanwezig waren. Onder dreiging van tal van machinegeweren zegt de politieagent van dienst dat alles oké is. De vraag of er een fotootje mag worden gemaakt stuit op enig onbegrip. Nu het traditionele redactiegrapje “het is voor Motoren & Terrorisme” er tegenaan gooien zou ons wellicht een nachtje gratis kost en inwoon achter tralies opleveren, knikken, zwijgen en voortrijden is dus de boodschap…

 

Draaien en keren

Pas bekomen van de schrik ontwaren we het enige verkeersbord dat motorrijders na aan het hart ligt. Verkeersbord A1d duidt aan dat er uitbundige bochtencombinaties zitten aan te komen. Onder het eerste bord lezen we dat de pret minstens 8 kilometer zal duren. We strekken nog even armen en benen en beginnen aan het plezantste deel van de route. Het draaien en keren zal uiteindelijk veel langer dan 8 kilometer duren. In het begin krijgen we perfect asfalt onder de wielen geschoven, na enige tijd moet dit plaatsmaken voor een meer geaccidenteerd wegdek. We rijden tussen uitgestrekte akkers door en op het wegdek zijn stukken pek en asfalt aangebracht als pleisters op de diepe wonden die er door landbouwvoertuigen zijn ingeslaan. Dat we de snelheid hierdoor een beetje moeten temperen maakt ons geen zier uit, het is hier zo rustig en mooi dat het landschap ons als het ware uitnodigt om er op ’t gemak van te genieten.

De volgende 50 kilometer lijken allemaal op mekaar: versplinterde stukken bos, overblijfselen van het kolenwoud, worden afgewisseld met akkers waarvan de oogst blijkbaar net is binnengehaald. De lege, omgeploegde akkers zorgen ervoor dat het uitzicht quasi niet wordt belemmerd. Het licht glooiend landschap in combinatie met het vele groen en bossen doen je bijna geloven dat je in Toscane bent hoewel we ons in de Avesnois bevinden. Door de plaatselijke toeristische dienst wordt deze regio steevast ‘la Petite Suisse du Nord’ genoemd. Ze mogen zeggen wat ze willen, wij vinden de vergelijking met Toscane beter opgaan. Hoe dan ook, wanneer je met deze twee streken wordt vergeleken kan je met de neus omhoog verder. Leuk ook dat dit allemaal zo dicht bij huis te vinden is.

Chez Nienie

Ter hoogte van Solre-le-Château dringt een pauze zich op. Op het gezellige dorpsplein staat naast een pittoreske kiosk een standbeeld ter ere van de dorpelingen die tijdens de wereldoorlogen zijn gesneuveld, onder andere bij ons aan de Ijzer. We zijn ongeveer halfweg de route, de middag ligt al een uurtje achter ons, hoog tijd dus om hier iets te eten. We kiezen Café-Brasserie-Snackbar ‘Franco-Belge’ uit om de maag te vullen. De chef-kok, die waarschijnlijk in een iets luiere periode vertoeft, zegt dat hij geen eten heeft vandaag en verwijst ons door naar etablissement ‘Chez Nienie’ aan de andere kant van het dorpsplein.

Bij Chez Nienie kan je kiezen uit maar liefst vier dagschotels die uitgeprint op een A4’tje naast de buitendeur hangen. De vriendelijkheid waarmee we door (vermoedelijk) Nienie en haar dochter worden bediend is haast aandoenlijk. Beiden zijn verwonderd dat we vanuit het verre België (toch al snel 9 kilometer hier vandaan) de weg naar Chez Nienie hebben gevonden. Nooit maakten we mee dat ons tijdens het eten zo dikwijls werd gevraagd of alles naar wens is, of het smaakt, of er nog iets meer moet zijn. Hier zijn ze duidelijk geen (motor)toeristen gewoon maar je wordt veel beter in de watten gelegd dan in eender welke ‘tourist trap’. Mocht je ook van plan zijn om bij Nienie te middagmalen, zorg er dan voor dat je je maag niet te vol eet. Een koffietje na het eten moeten we afwimpelen, we zijn hier al iets te lang blijven hangen. Nienie wuift ons enthousiast uit en we kunnen verder. Noord-Franse Gemütlichkeit, het bestaat.

 

Offroad als uitdaging

Eens we het dorp Cousolre door zijn zien we aan de rechterkant een monumentaal kerkhof. Een vreemd zicht zo tussen de velden buiten de stad. Op het kerkhof liggen uiteraard de overleden inwoners van Cousolre begraven, God hebbe hun ziel, maar er ligt blijkbaar ook één gesneuvelde Britse soldaat uit de eerste wereldoorlog. Hierdoor wordt het onderhoud van het volledige kerkhof verricht door de Commonwealth War Graves Commision die er nog steeds op toeziet dat elk kerkhof waar een Britse gesneuvelde ligt er piekfijn bijligt.

De snelle bochten zijn we na Cousolre kwijt. Om het volgende dorp, Reugnies te bereiken dienen we een relatief steile afdaling te overwinnen. Eens beneden wacht ons een off-road pad in erbarmelijke staat om terug uit het dal te klauteren richting Bousignies-sur-Roc. Routebouwer Wim Depraetere vindt dat er in elk roadbook een uitdaging mag zitten en deze 2 à 3 kilometer onverhard is dat zeker. Onderweg komen we enkel een paar ezels tegen aan de kant van dit weggetje, begrijpelijk.

Mocht je het niet zien ziiten om dit stukje enduro te doen - zeker bij regenweer zou dit er verraderlijk kunnen bijliggen - kan je er perfect omheen rijden. Een kilometer na Cousolre kan je links de D80 nemen richting Bousignies-sur-Roc, drie kilometer verder pik je dan terug in op de route.

In de lift

Het wordt stilaan tijd Frankrijk te verlaten en opnieuw België binnen te rijden. De eerste 25 kilometer, tot in Estinnes,  blijven we tussen de velden en bossen rijden en siert hier en daar een woud van windmolens de horizon. Wanneer we Estinnes voorbij zijn ontwaren we in de verte al snel een reusachtig gebouw, de nieuwe scheepslift van Strépy-Thieu. Dit staaltje technisch vernuft kostte 650 miljoen euro en vervangt 4 oude scheepsliften op het centrumkanaal. De nieuwe lift, die werd afgewerkt in 2002 is nog steeds de grootste bootlift ter wereld en overbrugt een hoogteverschil van 73,15 meter. Bij een bezoek aan de scheepslift heb je ook de mogelijkheid om zelf per boot de lift te nemen. Hoe hypermodern en technisch hoogstaand deze constructie ook mag zijn, puur esthetisch moet het gebouw veel onderdoen voor zijn oudere broertjes die het vervangt. De 4 oude scheepsliften op het centrumkanaal zijn namelijk prachtige stalen constructies die ondertussen op de UNESCO lijst met werelderfgoed prijken.

 

Grijs en grauw

Na de scheepsliften moet je terug wat aan rijplezier inboeten en wordt de omgeving een stuk kleurlozer. De dorpen die je hier passeert hebben bijna stuk voor stuk behoefte aan een flinke opknapbeurt en het aantal werven of werfjes die je om de haverklap tegenkomt doen ook vermoeden dat er flink wordt gewerkt aan een opwaardering van de regio. In dit laatste deel van de route worden we bitter hard geconfronteerd met stevige littekens die de industrie - en meer bepaald de teloorgang ervan - hier hebben achtergelaten.

Voorbij Ronquières, waar je met de boot ook een hoogteverschil van 68 meter kan overwinnen, maar dan middels een hellend vlak, kent het landschap een opflakkering. Deze is echter slechts van korte duur, eindpunt Nijvel ligt immers vlakbij.

 

Nivelles

In Nijvel stoppen we op een terras in de schaduw van de Sint-Gertrudiskerk. Nippend van de koffie die we na een compleet cafeïneloze dag nu echt wel hebben verdiend,  denken we met enige weemoed terug aan het circuit van Nivelles-Baulers. Van dit voormalig Formule 1 circuit dat intussen heeft moeten plaatsmaken voor een industriegebied, waren tot voor enkele jaren nog enkele restanten zichtbaar. Jammer genoeg is er nu nog amper iets van te zien. We proberen ons in te beelden hoe Emerson Fitipaldi in deze provinciestad ooit twee grote prijzen Formule 1 heeft gewonnen. Het is een beetje surrealistisch dat de meeste glamoureuze sport ter wereld hier ooit heeft halt gehouden, en dat Emerson Fitipaldi lang geleden op dit terras misschien het glas heeft gehoffen op zijn overwinning. Cheers Emerson!

 

Het roadbook van dit reisverhaal vind je hier. Dit reisverhaal verscheen oorspronkelijk in Motoren & Toerisme van oktober 2016.

 

Outfitcheck Jelle

Helm: Kabuto Ibuki

Handschoenen: Rev’It Antibes

Broek: Stadler Ace II Pro

Jas/Trui: Richa Titan Hoodie

Laarzen: Alpinestars SMX-4

 

Facebook comments