Roadbookrit: Van Chimay naar Leuze-en-Hainaut

Charleroi en Bergen link je niet meteen aan frivool motorrijden, maar als je een beetje om die wat grauwe steden heen stuurt kan je in Henegouwen schitterende routes uitstippelen. De vijfde etappe van de Roadbook Rally beginnen we op de plaats waar we de vierde rit afsloten, het stratencircuit van Chimay. Met een ommetje langs Mettet is het dan de bedoeling om 157 kilometer verder in Leuze-en-Hainaut een bijzonder eindpunt aan deze etappe te breien. En route!

 

Tekst: Bart De Schampheleire

Foto’s en route: Jochen Scheire

Gisteren zijn we van Gedinne naar Chimay gereden, dwars door de Belgische en Franse Ardennen, vandaag trekken we vanaf het circuit van Chimay verder noordwaarts met Leuze-en-Hainaut als eindbestemming. In het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw kwam Jules Buisseret met het idee op de proppen om in Chimay autosportwedstrijden te organiseren. Hij kon een handvol gelijkgestemde zielen rond zich verzamelen en op zondag 9 mei 1926 zette de Automotoclub de Beaumont-Chimay de eerste Grand Prix des Frontières op poten. Voor ‘voiturettes’ tot 1.100 cc en motoren in de klassen 175, 250, 350 en 500 cc terwijl een demonstratie van parachutisten het evenement helemaal af moest maken. Van 1926 tot en met 1991 werd geracet op een circuit van 10,7 kilometer, een rondje dat Yvo Grauls op 21 mei 1972 met een Chevrolet Camaro aflegde in drie minuten en twaalf seconden, goed voor een gemiddelde snelheid van 195 kilometer per uur. In 1992 werd het circuit gevoelig ingekort en werden in het 4.515 meter lange rondje een aantal chicanes ingebouwd om de snelheid op de rechte stukken een beetje in te perken. Dat motorsport op tijdelijke omlopen ondanks alle inspanningen van de organisatoren een risicovolle bezigheid blijft, werd vorig jaar nog geïllustreerd door drie zware crashes op de zaterdag van de Open Trophy waarbij drie motorracers om het leven kwamen.

 

Alle visjes zwemmen in het water

Snelheidsrecords breken is voor onze rit vandaag tot Leuze-en-Hainaut van geen enkel belang, genieten van de omgeving en het voorspelde prachtige weer staat bovenaan onze prioriteitenlijst. Over de kwispelende Rue du Grand Prix des Frontières zien we Chimay in onze achteruitkijkspiegels verdwijnen en duiken we het groen in. Bij het Meer van Virelles ligt een natuureducatief centrum dat gekoppeld is aan een vogelopvangcentrum. Zo vroeg op de route houden we evenwel nog geen halt en volgen de N589 noordwaarts over de heuvelruggen richting het vliegveldje van Cerfontaine. Cerfontaine ligt vlak onder de Lacs de l’Eau d’Heure, vijf meren die in de jaren zeventig van de twintigste eeuw op kunstmatige wijze werden gecreëerd door het water van de Eau d’Heure af te dammen. In totaal zijn de vijf meren ruim zes vierkante kilometer groot en alle oevers samen zijn vijftig kilometer lang. Ik parkeer de Honda CB 1100 aan de oever van het meer van Falemprise waar te oordelen aan de achtergelaten blikjes en flessen en de nog smeulende restanten van een kampvuur gisteravond één of ander zomerfeest heeft plaats gevonden. Nu, vroeg in de ochtend, heerst er evenwel absolute rust in het gebied en ik verbaas mij er over welk een massa kleine visjes kriskras door het water schiet. Iets voorbij het meer van Falemprise volgt een eerste stukje off-road op de route, al valt het allemaal best mee. De Honda CB 1100 –niet meteen gezegend met een hoop veerweg of noppenbanden – heeft geen enkele moeite met het drie kilometer lange bospad dat aangelegd is met stevig aangereden grof grind zodat het voor nagenoeg elke motorrijder ongeacht zijn machine mogelijk moet zijn om dit stukje te doen. Zie je het toch niet zitten, dan kan je eenvoudig omrijden door daar waar het stuk onverhard rechts het bos in duikt de verharde weg te volgen tot de N40 (Rue de Beaumont) en een paar kilometer verder naar het oosten de route terug op te pikken. In dat geval mis je wel een prachtig stukje natuur. Hoewel de vierpitter van de Honda bijzonder zoetjes draait, schrikt een hertenkalf toch op en springt elegant naar veiliger oorden.

 

Stuiterpartij

Het landschap valt in niks te vergelijken met dat van gisteren, al zitten we nog niet eens zo ver uit de buurt. Veel minder bebossing, veel meer open velden van hectaren en hectaren groot. Het goudgele koren wiegt in de wind, de landbouwers die zich naar hun akkers begeven doen dat in mastodonten van tractoren met daarachter het zwaarste materieel dat je kunt vinden. De weidsheid van het landschap en de indrukkende machines die het land bewerken staan in schril contrast met de mini-dorpjes waar we doorheen rijden. Amper een handvol huizen telkens en vaak in geen al te beste staat. Daar tegenover staat dat op de mooiste plekjes de beter begoeden flinke villa’s hebben opgetrokken, steevast met een grote glaspartij gericht op het mooiste uitzicht dat ze vanuit hun riante woonst over de omgeving hebben. Wel jammer dat veel van de landschappen ontsierd worden door lelijke elektriciteitspalen en de bedrading die ze torsen. Ik geniet met volle teugen van de koele ochtend en vooral op olfactorisch vlak acht ik me in de zevende hemel. Daarnet de frisse boslucht, nu de heerlijke geur van hooi. Ik heb medelijden met de hooikoortspatiënten want een hele dag niezen, nee, dat is niet plezant. Maar tegelijk moeten die mensen de frisse geuren van hooi en stro missen, ik zou niet graag in hun plaats zijn.

De N5 die Charleroi met Philippeville verbindt wordt momenteel heraangelegd zodat we om deze verkeersas te kunnen dwarsen ter hoogte van Jamagne een kleine omleiding moeten volgen. Florennes is groter dan de meeste dorpen in de regio, al geeft het centrum een verpauperde indruk. Wel grappig dat de scouts van Virton hier in de buurt op zomerkamp zijn. Terwijl nagenoeg alle Vlaamse jeugdbewegingen ergens in de Ardennen hun tenten opslaan moeten de padvinders uit de Ardennen elders naartoe. En zo komen ze dan in Florennes terecht. Iets verder komen wij in Mettet uit, bij het recent aangelegde circuit Jules Tacheny waar we af en toe heen trekken om een sportmotor aan de tand te voelen. Net zoals in Chimay gaat ook de geschiedenis van de motorsport in Mettet terug naar de vroege jaren twintig van de vorige eeuw. De boutade zegt dat de eerste motorrace georganiseerd werd toen de tweede motor ooit klaar was en ook in Mettet daagden in het begin van de jaren twintig jongelui mekaar uit om zo hard mogelijk rondjes te rijden. Er werd een kleine club opgericht onder leiding van Jules Tacheny die op 11 september 1927 in Pontaury, vlakbij Mettet, een eerste wedstrijd organiseerde. Met opmerkelijke prijzen want Saroléa schonk een marmeren buste, Gillet offreerde een kunstwerk en FN kwam met een karabijn aandraven. Om letterlijk en figuurlijk de hoofdvogel af te schieten? De eerste organisaties waren meteen voltreffers en de club investeerde in een eigen clublokaal, vlak langs het circuit. Ook na de Tweede Wereldoorlog bleven Tacheny en de andere bestuursleden van de Royal Motor Union de l’Etre Sambre et Meuse of kortweg RUMESM zich inzetten voor een veilig circuit, binnen de mogelijkheden die de openbare weg hen bood. In 1985 werd de brug over de start- en aankomstzone gebouwd, een constructie die de Rue de Saint-Donat nog steeds overspant. Het nieuwe circuit ligt vlakbij, in de helling die afdaalt naar Biesmerée en Stave. De nieuwe omloop ligt achter een hoog talud waardoor de decibels die richting Mettet afdwalen sterk gedempt worden. En dat het talud steil is, mag ik ondervinden want als ik voor de fotoshoot even in het gras ga zitten, rolt mijn jethelm het talud af en mag ik er achteraan crossen. De botspots overleeft de stuiterpartij als bij wonder…

 

Nergens beter dan Thuin

Ligt het Circuit Jules Tacheny op een zuidgerichte helling, dan trekken we vanaf Mettet verder noordwaarts met de route. Het is opmerkelijk dat de N932 als oost-west as op een natuurlijke glooiing ligt met aan de zuidkant het circuit en ten noorden daarvan een kleine vallei. Over de Avenue du Circuit sturen we die natuurlijke ‘put’ in en komen opnieuw in een bijzonder rurale omgeving terecht. Amper bebouwing, akkers zo ver je kan kijken en daartussen kleine betonweggetjes. Een tweede stukje onverhard dient zich aan. De Honda baant zich probleemloos een weg door het stof, wie de route rijdt na een periode van hevige regenval kan best voor de alternatieve lus kiezen. Vanaf hier beginnen we aan onze grote, zuidelijke lus rond Charleroi en Mons waarbij we iets voorbij Gerpinnes de drukke N5 Charleroi-Philippeville opnieuw oversteken. Thuin is opmerkelijke vestingstad waar een begraafplaats uit de tweede eeuw werd ontdekt, het bewijs dat Thuin in de Gallo-Romeinse tijd al een nederzetting was. Door zijn strategische ligging in de vallei van de Samber bleef Thuin een belangrijke stad, het belfort uit de zeventiende eeuw staat sinds 1999 op de Unesco lijst van het werelderfgoed. De stad valt uiteen in een bovenstad en een benedenstad, de bestrating met kasseien kan op een regendag extra aandacht vereisen. Iets verderop in Lobbes loopt de route door een oude poort. Alles met een frontaal oppervlak van minder dan 2,60 x 2,60 meter kan er doorheen, al de rest moet omrijden. Geen enkel probleem dus voor de Honda die ondanks zijn vier cilinders in lijn toch nog vrij compact voor de dag komt. In Bienne-les-Happart zou je met de motor wel in de problemen kunnen komen, zeker als het wegdek nat ligt. Eén of andere slimmerik is daar immers op het idee gekomen om het asfalt vlak voor elke bocht rood te schilderen en dat over de volledige breedte van de weg. En OK, dat kan de verkeerssituatie voor de automobilist misschien overzichtelijker maken, zo’n schilderij op straat kan op een regenachtige dag spekglad worden. Uitkijken dus. Ook om de innerlijke mens te versterken moet je hier uitkijken en wel in die zin dat de eetgelegenheden niet bijzonder dik gezaaid zijn in dit stuk van Henegouwen. In Estinnes scoren we op het terras van een cafeetje een bordje tapas, zuiders voer lijkt me wel geschikt als de thermometer 36 graden aangeeft. Nog geen uur later moeten we in het bijna ingeslapen Stambruges al een nieuwe drankpauze inlassen want de hitte heeft de status van ‘ondraaglijk’ bereikt. Daarna nog snel een foto bij het kasteel van Beloeil en op naar Leuze-en-Hainaut voor het hoogtepunt van de dag.

Opdracht te volbrengen

 

Twintig jaar geleden heb ik Ivan Mahy al een keer geïnterviewd, toen nog voor het studentenblad. De autocollectie van de familie Mahy stond toen in het schitterende ‘Oude Circus’ in Gent, een bijzonder rond bouwwerk met rondom een soort van weg die alle verdiepingen met mekaar verbond. Maar het Oud Circus in het centrum van Gent bevond zich in een erbarmelijke staat zodat de familie Mahy naar een nieuw onderkomen voor de collectie op zoek moest. Gemakkelijker gezegd dan gedaan… “In het gebouw staan achthonderd auto’s en vijftig motoren. In totaal tonen we aan het publiek 250 auto’s en vijftig ‘andere voertuigen’. Alleen al om alle voertuigen uit de collectie te tellen, moet je een volle dag uittrekken”, zegt de 78-jarige Ivan Mahy die in de voorbije twee decennia geen haar veranderd lijkt. Met het bekende, sappige Gentse dialect vertelt hij vol vuur over de Mahymobiles collectie. “Aanvankelijk waren we van plan om een pand in Rijsel te huren, daarna zochten we in Ronse. Het was de deurwaarder van het pand in Ronse die ons op het juiste spoor zette met de melding dat de grootste textielfabriek van ons land in Leuze-en-Hainaut failliet was gegaan. We konden een samenwerking aangaan met de stad Leuze die de fabriek kocht waarna de VZW Autocollectie Ghislain Mahy in 1997 begon met de verhuis van de achthonderd voertuigen”, vertelt Ivan terwijl hij met de pas van een kwieke twintiger door het gigantische museum wandelt. Hoewel het museum in de eerste plaats focust op de geschiedenis van de auto en die geschiedenis op een heel bijzondere manier duidt, staan er ook motoren en unieke fietsen in het Mahymobiles Musée de l’auto. Bij Ivan blijkt er ook wat motorrijdersbloed door de aderen gestroomd te hebben. “Toen ik negen jaar was, had ik een kleine parachutistenmotor waarmee ik in de tuin crosste. Mijn broer had een 125 cc Peugeot en mijn pa een Motoconfort uit 1937. Ik was de acrobaat van de familie en sprong met mijn mini motortje over alle heuvels en bulten. Later reed ik met een Harley-Davidson van het Amerikaans leger op de hellingen in het circusgebouw in Gent. Dat ging één keer grondig mis toen ik een bocht verkeerd inschatte en van de motor werd gekatapulteerd. Ik had gelukkig niks gebroken, maar zwoer om nooit meer motor te rijden en ik heb sindsdien slechts twee keer gezondigd”, zegt Ivan die de passie voor alle gemotoriseerde voertuigen uitstraalt. Hij zegt: “België is op dat gebied een apart land, alles wat rijdt boeit ons. Per jaar lokt ons museum tienduizend bezoekers, veel te weinig om rendabel te zijn. Het is jammer dat het museumlandschap in Wallonië en de bijhorende subsidies zo versnipperd zijn want onze collectie heeft het potentieel om er veel meer mee te doen. Vanuit de Vlaamse Ardennen komen veel motorclubs tot bij ons om te picknicken en op bestelling kunnen we hen ook een taartje aanbieden. Iedereen kan vrij door de collectie wandelen, maar een rondleiding biedt een pak meer informatie. Bij elke auto of motor die hier staat, hoort immers een verhaal. En het zijn precies die verhalen die deze voertuigen uniek maken.” Toen we aan de uitwerking van de Roadbook Rally 2015 met het thema ‘De motorgeschiedenis van België’ begonnen, was ik mij er meteen van bewust dat het lange dagen zouden worden om die reportages in te blikken, gewoon omdat gepassioneerde verzamelaars van auto’s en motoren nooit uitgepraat geraken. Bij Ivan Mahy is dat niet anders, maar het leuke van die gepassioneerde mensen is dat hun verhaal ook geen seconde verveelt. Als afsluiter van een unieke dag op de motor en een interview met de unieke beheerder van een unieke collectie stuurt Ivan Mahy me met een opdracht naar huis. “In België zijn er nog veel mensen die informatie hebben over oude auto- en motormerken. Allemaal oudere mensen en als we willen dat de geschiedenis van die merkjes in kaart wordt gebracht, is het nu de hoogste tijd om die mensen hun verhalen neer te schrijven. Dat is een werk voor de jonge garde.” Boodschap begrepen, meneer Mahy. Ik zal mijn best doen.

 

Alle info over het circuit van Chimay en de organisaties aldaar: www.circuit.be

Alle info over het circuit van Mettet en de organisaties aldaar: www.circuit-mettet.be

Alle info over het Mahymobiles Musée de l’auto: www.mahymobiles.be Het museum is van 15 maart tot 31 oktober alle donderdagen en zaterdagen open van 13 tot 17 uur en op zon- en feestdagen van 10 tot 17 uur. Een kaartje kost 8 euro.

 

Je vindt de GPS-bestanden voor deze Roadbookrit in de Roadbook-sectie.

Facebook comments