Roadbookrit: Van Nieuwpoort naar Oudenburg

De geschiedenis van alles wat met motoren en motorrijden te maken heeft ligt ons na aan het hart en af te meten aan de talrijke lezersvragen en –brieven die we daarover krijgen weten we dat ook onze lezers geïnteresseerd zijn in de motorgeschiedenis. In de zeven etappes van de Roadbook Rally 2015 gebruiken we de motorgeschiedenis van de Lage Landen als leidraad voor leuke, ontspannen motorritten waarmee u elke maand ook nog eens mooie prijzen kunt winnen. Met de eerste rit blijven we van Nieuwpoort tot Oudenburg honderd procent op West-Vlaamse bodem.

 

Route: Jochen Scheire

Tekst: Bart De Schampheleire

Foto’s: Jochen Scheire

De zon heeft alle moeite van de wereld om het ochtendgrijs weg te vegen als ik op onze BMW K 1600 GT  redactiebuffel over de E40 richting Nieuwpoort banjer. Ik heb me weer eens verkeken op hoeveel tijd het kost om drie kleuters naar de opvang te brengen zodat ik de snelheidsregels nogal ruim interpreteer. Een wegomlegging en de twijfel ‘stond dat monument nu weer in Nieuwpoort Bad of Nieuwpoort Stad?’ zorgen er voor dat ik met een dik kwartier vertraging aankom bij het Koning Albert 1 monument. Christophe Deconinck van ‘Cruising along the Frontline’ staat me met zijn Harley 883 Sportster ratbike al op te wachten. Deconinck –die u ook nog zou kunnen kennen uit de TV-reeks Mercator- is historicus van opleiding en gidst toeristen langs de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Omdat we de eerste paar tientallen kilometers van de route dwars door de streek trekken die zo zwaar leed onder het geweld van de Groote Oorlog, zal Christophe ons op sleeptouw nemen. Op zoek naar de waarheid in het verhaal van Elsie Knocker en Mairi Chisholm.

 

Thelma en Louise

Het enthousiasme van Christophe heeft blijkbaar ook op het weer effect want de zon breekt door als we het imposante monument dat in 1938 werd onthuld achter ons laten. Langs ‘de ganzenpoot’ (een sluizencomplex dat de havengeul van Nieuwpoort verbindt met zes waterlopen en kanalen) sturen we de polders in. Over kaarsrechte wegen die de vers geploegde polderakkers doorsnijden, klieven we door de laatste restjes ochtendmist en spelen we een paar keer haasje-over met de IJzer die door het landschap kronkelt. Al na een goede tien kilometer neemt Christophe in Pervijze het voortouw om vlakbij de observatietoren aan het Kastanjeplein de motor te parkeren. Tijd voor het verhaal van Elsie en Mairi die de geschiedenis in gingen als ‘De madonna’s van Pervijze’. “Maar je kan ze evengoed de ‘Thelma en Louise’ van die periode noemen. De twee dames –de ene had Britse roots en de andere Schotse- kwamen uit de betere burgerij en reden allebei met de motor. Om de overtocht van het Verenigd Koninkrijk naar België te kunnen bekostigen moesten ze één van hun motoren verkopen, maar ze waren vastberaden om zich tijdens de Eerste Wereldoorlog ten dienst te stellen van de gewonde soldaten op de slagvelden. Ze woonden tussen 1915 en 1918 op drie plaatsen in Pervijze en zaten zo middenin het strijdgewoel. Op een Royal Enfield met zijspan vervoerden ze gewonde soldaten naar veldhospitalen en volgens sommige bronnen zouden ze daarvoor zelfs afspraken gemaakt hebben met de Duitsers. Al worden er over Elsie en Mairi heel veel verhalen verteld en zijn de bronnen niet altijd even betrouwbaar”, ratelt Christophe. Hij vuurt meer weetjes over de oorlog op je af dan een gemiddelde mitrailleur uit die tijd kogels kon afschieten. Wou u bijvoorbeeld misschien nog iets weten over de observatietoren van Pervijze? Vraag het aan Christophe Deconinck! “De observatietoren werd door het Belgisch leger met betonblokken opgericht. Zoals je nu nog kunt zien ligt Pervijze op een kleine welving in het landschap. Toen de hele regio hier onder water was gezet, had je vanuit Pervijze en zeker vanuit de observatietoren een perfect uitzicht over het gebied”, doceert Christophe. Hoewel de Roadbook Rally dit jaar het thema ‘Motorgeschiedenis’ heeft, kunnen we tien kilometer verder niet anders dan nog eens afstappen aan de Dodengang, nog zo’n locatie waarover volgens Christophe de wildste verhalen verteld worden. “Zo klopt het niet dat sommige Belgische militairen hier maandenlang de wacht hebben gehouden, maar het is wel zo dat nagenoeg alle Belgische soldaten uit die periode hier tijdens de oorlog gediend hebben. En ondanks de bijzonder gevaarlijke locatie, vielen in de Dodengang tijdens de oorlog ‘slechts’ 121 doden te betreuren”, tracht Deconinck de feiten in hun juiste context te zetten. Langs de IJzertoren rijden we verder en het lijkt wel alsof de vissers allemaal oude legertenten opgekocht hebben. Overal in de bermen langs de IJzer zitten de hengelaars van onder zo’n kakigroene tent naar een dobber te staren, voor hen ongetwijfeld een bezigheid die het perfecte evenwicht vindt tussen rust en opwinding. Doe mij dan maar de motor. Ik geniet met volle teugen. Het is de eerste echte voorjaarsdag en nu de zon definitief het pleit met het ochtendgrijs heeft beslecht, klimt het kwik in de thermometer gestaag. “Hier vlakbij zou nog een versterkte burcht hebben gestaan die door Vauban werd ontworpen. Je vindt er geen enkele tastbaar bewijs meer van, maar de vorm van de vijver kan een aanwijzing zijn”, weet Christophe. En verhip, als ik voor het uittikken van het verhaal Google Maps er nog eens bij neem om de route te controleren, merk ik vlakbij de Knokkebrug een opmerkelijke, achthoekige waterpartij op. Zo perfect lineair gevormd dat de vijver wel door mensenhanden moet zijn gecreëerd. Blijkt dat Vauban hier effectief een vesting liet optrekken omdat de IJzer in die tijd nog druk bevaren werd en vandaar zowel economisch als strategisch van groot belang was. Tja, zo leert een mens nog eens iets.

 

Streep door de Westhoek

Tussen Alveringem en Oostvleteren verlaten we de IJzerdijk definitief. Over de weinig inspirerende N8 die Veurne met Ieper verbindt rijden we naar het Oltimermuseum Bossaert in Reninge. De heraanleg en/of verbreding van de N8 is al dertig jaar een discussiepunt met het actiecomité ‘Geen streep door de Westhoek’ als één van de belangrijkste spelers. Langs die N8 ligt het Oldtimermuseum Bossaert dat met 95 oude auto’s vooral de nadruk legt op de geschiedenis van de automobiel, al staan er ook 25 oldtimer motoren tussen. De Belgische motorindustrie is vertegenwoordigd met onder andere een Saroléa uit 1929, een FN uit 1955 en een Gillet uit 1946. Wil je dit motormuseum bezoeken, hou er dan wel rekening mee dat het op weekdagen pas vanaf 13 uur geopend is zodat je in Nieuwpoort niet te vroeg aan onze rit mag beginnen of dat je onderweg verschillende koffiestops moet inlassen, anders zal je ruim voor 13 uur in Reninge aankomen. Op zaterdag is het Oldtimermuseum open van 10.30 tot 17.15 uur, op zon- en feestdagen is het gesloten. Volwassenen betalen acht euro voor een bezoekje aan het museum. Omdat de uitbater met vakantie is, blijven de deuren van het museum vandaag voor ons dicht, dat bezoek moeten we dus uitstellen. Op de parking langs de drukke N8 nemen we afscheid van Christophe die terugkeert naar zijn slagvelden, over steeds smaller wordende weggetjes met ogenschijnlijk steeds groter wordende tractoren sturen wij verder zuidwaarts, naar één van de mooiste streken van België die zich in de oksel van ons land heeft genesteld. Sinds we deze ochtend in Nieuwpoort vertrokken zijn was de horizon al die tijd als met een liniaal getrokken, maar nu tekenen zich aan de einder zowaar heuveltjes af.

 

Wiet-schate

Ook in West-Vlaanderen vrezen de landbouwers dat hun toekomst gevaar loopt en dus protesteren ze met kleurige borden in hun voortuintjes tegen het beleid van minister Schauvliege. Het zijn protestborden die ongetwijfeld in heel Vlaanderen worden gebruikt want de teksten staan er in Algemeen Nederlands op. Want als we iets onthouden hebben van de tamelijk geniale televisieserie ‘Eigen kweek’ die in deze streek werd opgenomen, dan is het wel dat Zuid-West-Vlamingen bijzonder trots zijn op hun regio en hun dialect. Dus als aannemer Delannoy uit Heuvelland op zoek is naar een vloerder, dan zet hij gewoon ‘Dallelegger gezocht’ op een groot bord voor zijn bedrijf. In Kemmel houden we een vroege lunchpauze en op het terras genieten we in de zon van een rijkelijk belegde boterham. Fietsers komen hier kracht putten uit een streekbiertje, ze hebben immers net de Kemmelberg beklommen of gaan hem dadelijk (proberen te) beklimmen. Wij laten de kasseihelling deze keer links liggen en rijden over prachtige, glooiende kouters richting Wijtschate dat sinds de Eén-reeks ‘Eigen Kweek’ over knullige cannabiskwekers ‘Wiet-schate’ mag worden genoemd. Vlak naast de hoeve van de familie Welvaert uit de televisiereeks liggen op het R.E. Farm Cemetery 132 Britse en 47 Canadese militairen begraven. Op één of andere manier voelt het vreemd aan. Op het boerenerf werd een bijzonder grappige televisiereeks opgenomen terwijl aan de andere kant van het muurtje 179 gesneuvelden ons herinneren aan een bijzonder bloedige strijd. Ook in Wijtschate zitten de terrasjes vol, maar wij stomen door naar Ieper waar we begroet worden door honderden spierwitte beentjes. De eerste lentezon heeft talloze meiden en dames naar de rok doen grijpen, maar de benen die daar van onder priemen zien er na een lange, triestige winter heel erg uit als melkflessen of TL-lampen. In het centrum van Ieper laveren we tussen de busladingen Britse toeristen die in ons gezamenlijk oorlogsverleden komen spitten, aan de Slachthuisstraat tillen we bij Hotel Ariane de BMW nog eens op de middenbok om het verhaal van onze motorrijdende verpleegsters Elsie en Mairi terug op te pikken. Op de binnenkoer van het hotel staat immers een bronzen beeld van de twee dames, een beeld dat gemaakt werd door de Oostendse kunstenares Josyane Vanhoutte. Het beeld was aanvankelijk voorzien om in Pervijze geplaatst te worden, maar politieke draaikonterij stak daar een stokje voor. Diane Atkinson, de schrijfster van de biografie ‘Elsie and Mairi go to war: Two extraordinary women on the Western front’, verbleef meermaals in hotel Ariane en stelde daarop voor om het beeld in de tuin van het hotel te plaatsen. En zo geschiedde.

 

Dorp met een ring

Over slechte betonwegen dokkeren we richting het Houtland waarvan Torhout de officieuze ‘hoofdstad’ is. De bouw van een ondergrondse gasleiding die de havens van Calais en Zeebrugge met mekaar moet verbinden kerft een lelijke streep door het landschap, benieuwd hoe de natuur hiervan zal herstellen als de kranen en bulldozers weer vertrokken zullen zijn. Dat ook Torhout als provinciestadje van het zevende knoopsgat ten prooi is gevallen van de bouwwoede wordt door één richtingaanwijzer in de verf gezet. In het midden van de velden stuit je ineens op een wegwijzer met het opschrift ‘Ring’. Alsof je met een grootstad van het genre Brussel of Antwerpen te maken hebt, met een ring waarop dagelijks chauffeurs in de file staan. Maar we zijn godbetert wel in Torhout, een wat groot uitgevallen dorp dat op 1 januari 2014 exact 20.395 zielen telde. Een paar honderd meter van de route verwijderd ligt langs de weg Torhout – Lichtervelde wat overblijft van motormerk Thoria. De gebroeders Roelens runden op de Markt van Torhout een fietsenzaak, maar toen ze in 1947 naar het pand aan de Roeselarebaan 36 betrokken begonnen ze met bromfietsen en lichte motoren te bouwen. Opmerkelijke creaties die perfect onder de noemer ‘bromfiets’ vallen want vaak waren het fietsen die van een hulpmotor waren voorzien. Voor dat extra duwtje in de rug rekenden de gebroeders Roelens op het befaamde Ducati Cucciolo motortje, de 98 en 147 cc modellen werden aangedreven door een Sachs krachtbron. De twee kleinzonen van één van de oprichters verkopen momenteel de laatste stocks van fiets- en bromfietsonderdelen uit met de bedoeling om eind dit jaar de deur definitief achter zich dicht te trekken. “De tijden zijn veranderd, hé meneer. Tegenwoordig komt het allemaal uit China”, stellen de gebroeders Roelens in de obligate stofjas schouderophalend vast… 35 jaar eerder moest een handvol kilometers verderop, richting Brugge, een veel grotere Belgische motorfabrikant ook al vaststellen dat de opmars van de Aziaten niet te stuiten was. In 1933 had Aimé Claeys al een motor ontwikkeld, aangedreven door een 500cc JAP kopklepper en die onder de merknaam ‘Flandria’ op de markt gebracht. De broers Aimé en Remi Claeys produceerden allerhande ijzerwaren, maar focusten zich op fietsen en na de Tweede Wereldoorlog ook op motoren. Het aanbod aan brommers en motoren was groot, al was samen zaken doen de broers Claeys’ beste kant niet. Het leidde in 1956 tot een breuk waarbij de fabriek letterlijk in twee werd gesplitst: Aimé Claeys ging verder met het merk Flandria terwijl Remi voor de merknaam ‘Superia’ opteerde, een merknaam die hij ontleende aan een voormalig bromfietsmodel van … Flandria. Toen de motormarkt aan het eind van de jaren vijftig door de opkomst van de wagen onder druk kwam te staan ging Flandria zich nog meer focussen op de productie van bromfietsen en sportbrommers, met de Record als één van de bekendste. Eind de jaren zeventig kreeg Flandria het steeds moeilijker om de Japanse concurrentie het hoofd te bieden en in 1981 ging de Flandria bromfietsafdeling uiteindelijk failliet. De oude fabrieksgebouwen langs de N32 Torhout – Brugge werden heringericht tot winkels allerhande, de ene nog lelijker dan de andere. Slechts op één gevel vind je nog een afgebladderde muurschildering die verwijst naar het roemruchte merk Flandria, niet de moeite waard dus om de route langs deze drukke steenweg te leiden zodat we de voorrang gaven aan een aantal heel landelijke wegen om vanuit Torhout richting Jabbeke te rijden. De rechten op de merknaam Flandria zitten momenteel trouwens bij een steenrijke Britse industrieel. Een paar jaar geleden deed hij een schuchtere poging om het fietsenmerk Flandria nieuw leven in te blazen, evenwel met weinig succes.

 

Zeelucht

In Jabbeke dwarsen we de E40 snelweg nog eens en komen opnieuw in de échte polders terecht. Klap het vizier van je helm open en vanaf Stalhille kan je de zee alweer ruiken. Door de met grachten doorkerfde polders van Klemskerke en Vlissegem gaat het richting Bredene om in Oostende uit te komen. Niet dat we u koste wat het kost vandaag de zee nog eens willen laten zien, wel omdat Ostend Motor Sport in de Oostendse Vuurtorenwijk al jarenlang motorraces organiseert. Dit jaar staat op zaterdag 20 en zondag 21 juni al de veertigste editie van dit motorsportspektakel op de agenda, een prestatie waarvoor we KV Ostend Motor Sport met een ommetje langs de Koningin der Badsteden eren. Het is ook een goede manier om deze rit na dik 150 kilometer – we gaan de etappes van de Roadbook Rally dit jaar niet al te lang maken – bij het Oldtimer Motorcycle Museum van Johan Schaeverbeke te laten aankomen. De 110 motoren staan in een bijgebouw van de Bikers Loft Groenedijk, een motorhotel waar de motoren centraal in een grote hal worden geparkeerd en de motorrijders in kamers rondom die centrale overdekte parking te slapen worden gelegd. Schaeverbeke is een fenomeen, alle motoren staan in een setting uit de tijd van toen en bij elk van de machines kan hij wel een verhaal vertellen. “Wat de Belgische motoren betreft is de FN M-60 uit 1923 het absolute pronkstuk omdat het een heel imposante motor is. Kijk maar eens naar die indrukwekkende ballonbanden, het kopklepper motorblok met stoterstangen en de uitlaat met verloopstuk om het geluid te dempen. Echt een mooie machine”, glundert Johan terwijl hij ons op sleeptouw neemt voor een wandeling doorheen de geschiedenis van de Belgische motorfiets. Al gaan we nog niet alles aan uw neus hangen, we houden nog één en ander achter de hand voor de volgende zes afleveringen van de 2015 Roadbook Rally!

 

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in Motoren & Toerisme 5-2015. 

 

De GPS-bestanden voor deze Roadbookrit kan je in onze roadbooksectie downloaden. 

 

Facebook comments