Test: Triumph Bobber

De Bobber is het nieuwste lid van Triumphs Bonneville-familie. Het is een moderne Britse visie op een klassiek, van oorsprong Amerikaans type motorfiets. Bobbers waren destijds tweewielige hot rods die er zowel cool uitzagen, maar ook het nodige comfort boden.  

Het zwevende zadel, bestaande uit een aluminium basisstructuur en een fraai gestikt zitkussen is verrassend comfortabel. Tot die vaststelling kwam ik na een dag in dat zadel gezeten te hebben zonder dat m'n achterwerk er gevoelloos van werd. Bovendien is het zadel verstelbaar, en dat zowel voor- als achterwaarts en neerwaarts, telkens over een afstand van 30 mm. Je moet er wel gereedschap voor gebruiken. Heb je dit zadel-verstelproces achter de rug, dan kan je ook nog de positie van de tellerpartij aanpassen. Deze bestaat uit een enkele ronde klok en met een snelkoppeling kan je de hoek waaronder deze gemonteerd staat, aan je rijhouding aanpassen.  

 

Triumphs HT-versie (High Torque) van de watergekoelde 1197cc metende paralleltwin werd aangepast om een sleutelrol te spelen in het rijgemak van de Bobber. Dit aangepaste blok gebruikt twee Keihin gasklephuizen, die zoals gebruikelijk, slim vermomd zijn als carburatoren. Daarnaast kreeg de Bobber ook een nieuw dubbel luchtinlaatsysteem. Dat resulteerde in een ultra-vlakke koppelcurve waardoor de Bobber in haast elke van de zes versnellingen presteert. Eigenlijk telt de versnellingsbak twee versnellingen te veel. Een vierbak zou volstaan op deze motorfiets die al 103 Nm koppel oplevert aan slechts 3.000 opm. Het maximum koppel wordt 1.000 o.p.m. later bereikt. Ook al produceert het HT-blok zo'n 10% meer koppel dan de standaard T120 (die een maximaal koppel van 130 Nm aan 3.100 opm heeft), wel valt de trekkracht weg eens je de 5.500 toeren passeert. Wanneer je het maximaal toerental van 7.000 o.p.m. bereikt, iets wat in het dagelijkse gebruik nooit voorvalt, is er nog maar 76 Nm aan koppel beschikbaar.

 

De Bobber is voorzien van twee makkelijk selecteerbare rijmodi: Road en Rain. Beiden leveren hetzelfde piekvermogen van 75 kW aan 6.1000 opm. Alleen de snelheid waarmee dat gebeurt verschilt tussen beide mappings. Het komt er op aan om de aangenaam schakelende versnellingsbak te gebruiken om de Bobber in het romigere gedeelte van de koppelcurve tussen 3.000 en 5.000 toeren te houden. Het tractiecontrole-systeem waakt er dan over dat de wielen in één lijn blijven. Het blok produceert een opwindend, hot rod-achtig geronk dankzij de dubbele uitlaat met afgesneden dempers uit roestvrij staal. Ondanks de strenge Euro 4-normen is Triumph er nog maar eens in geslaagd een goed klinkende motor te produceren die bulkt van het koppel. 

 

Wat het T120 blok van deze Bobber betreft, dat heeft altijd prestaties op overschoot. Een toerental van 2.500 o.p.m. volstaat om te cruisen aan 100 km/u, terwijl 4.200 toeren in 160 km/u resulteert. Naast een vloeiende, lineaire vermogensafgifte zonder trillingen, dankzij de twee balansassen, is deze motorfiets ook belachelijk vergevingsgezind. Toch is het opletten geblazen tijdens het remmen, want de Bobber moet het met een enkele remschijf van 310 mm vooraan en een Nissin tweezuigerremklauw doen om z'n aanzienlijk gewicht (228 kg droog) tot stilstand te brengen. De Bobber mag dan al cooler lijken met slechts één remschijf, toch is Triumphs nieuwe stijlicoon op dit vlak onderbedeeld. Bij een paniekstop moet je dan ook echt op het rempedaal van de 255 mm remschijf achteraan gaan staan. Vreemd genoeg is de achterrem effectiever dan de voorrem al zal de hoeveelheid motorrem hier wel in meespelen. D

 

Triumphs nieuwste neo-retro aanwinst zal over de hele wereld een succesnummer worden, zoveel is nu al duidelijk. Het grootste probleem van de constructeur wordt daarbij om te voldoen aan de vraag naar een motorfiets die evengoed rijdt als hij eruit ziet. Oh, en dan moeten ze ook nog eens beslissen welke custommotor er hierna volgt op basis van het nieuwe Bonneville-platform. 

 

Lees de volledige versie van deze test in het februarinummer van Motoren & Toerisme.

 

Tekst: Alan Cathcart / BJ 

Foto’s: Alessio Barbanti, Paul Barshon, Friedemann Kirn and Matteo Cavadini

Facebook comments